Opa trekt zich af erotische massage emmeloord


opa trekt zich af erotische massage emmeloord

...

Voet fetish escort gratis geile films

Sexfilm - Opa neukt een blonde meid in de badkamer Opa is ziek en de thuishulp geneest hem met seks Sex film - De geile thuishulp draagt geen slipje. Gratis Porno films van Opa.

Je zal alle mogelijke films van Opa op Pornozot terugvinden. Enkel maar Italiaanse opa met twee geile meisjes. Sexfilm is geplaatst in sex categorie: Gratis geile sex opa sexfilm Gratis geile sex opa sexfilm Zijn vrouw trekt en pijpt hem waarna hij haar beft en neukt 3. Ik ben 18 nu, opaatje BBW in een fishnet voor de grote vaart.

Opa voert niet alleen de eendjes maar ook een 18 jarig sletje. Opa ging voor de vogels naar het bos maar dit is toch wat spannender. Buitensex film sex massage eindhoven Monique is zuchtig naar bejaardenzaad.

Het loopt tegen tienen als de sterke man binnenkomt. Hij is blind en wordt geleid door zijn zoontje, dat een jaar of dertien is. Hij heeft het bovenlijf ontbloot en laat zien wat sterke mannen zoal kunnen met een spanveer. Nadat de jongen met de pet is rond ­gegaan, wordt aan de bar uitbundig muziek gemaakt met allerlei ­raspen en trommels. En Annie brengt me nog een biertje. Juffrouw Annie, zoals ik haar noemde, was voor mij de Cotton Club, vijftig jaar lang.

Ze overleed op haar tachtigste. Op de avond voor de begrafenis lag Annie opgebaard in een zaaltje achter het ­café. Ik zat aan de bar en wist ­nergens van. Af en toe riep mijn moeder uit de keuken: Dik Trom en zijn dorpsgenoten las ik omdat ik eerder op de dag Uit het leven van Dik Trom had gelezen.

Wat me ernstig ­tegenviel, terwijl ik me Dik Trom en zijn dorpsgenoten herinnerde als een meesterwerk. Misschien heeft u het niet ­paraat, maar in Dorpsgenoten draait het om Nelly, Diks buurmeisje dat blind is en daarom niet kan zien.

Al in het tweede hoofdstuk raakt Dik ons in de ziel door ongezien zijn worst, waar hij zo dol op is, op het bord van het arme meisje te schuiven. Later zorgt hij ervoor dat ze mee mag op schoolreisje naar Wijk aan Zee. Aldaar wordt Dik gewezen op professor Donders uit Utrecht van wie Dik weet dat hij blinden vaak weer ziende maken kan.

Dik neemt Nelly bij de hand en mee naar de beroemde geleerde tot wie hij de volgende woorden richt: Wilt u haar ook beter maken? Als meisje geleerd, zoals alle jongens en meisjes vroeger dat deden.

Voor je het weet, kan het niet meer, ik doe het dus voor het te laat is. Maar eerst de nodige voorbereidingen, want deze expeditie kan even duren. Potje met goede humeur? Flesje met spraakwater, ja, ja, ja, nou, goede prijs dan! Te voet begeef ik mij door het Vondelpark naar het beginpunt van de reis, de halte van lijn 1 richting stad op de hoek van Overtoom en Jan Pieter Heije. De tram moet van heel ver komen, het einde van de wereld zo ongeveer, dus dat ik een tijdje op de halte sta, verbaast me niet.

Maar daar is ie, lijn 1 naar het Leidseplein, met die lekkere bocht bij het Leidse Bosje. Op het Leideseplein stap ik over op lijn 2 richting Nieuw Sloten. Op naar het Rijks, het Van Gogh en het Stedelijk waar ik, niet vergeten uit te checken, uitstap en naar de halte van de 3 loop.

Die er meteen aankomt. Ik heb dit altijd al eens willen doen, en ik moet zeggen, het valt niet tegen. Waar het plezier precies in zit, kan ik niet zeggen, maar in ieder geval rij ik heel anders door de stad dan ik ooit gedaan heb.

Bij de Van Wou, u raadt het, is het weer overstappen geblazen, voor een lekker lang ritje met de 4, helemaal naar het Centraal Station. Ik ben nu twee uur onderweg en ik zou, overweeg ik als ik op de halte van de 5 sta, er snel een kunnen kopen, bij de Ster bijvoorbeeld, of de Flying Dutchman aan de overkant, waar ik nog nooit geweest ben.

Maar gelukkig, daar is de 5 en ik weet waar die mij brengen zal. Hij was me nog niet voorbij of hij maakte voor het torentje van het Gerrit van der Veen College een draai naar de linker weghelft en stoof toen plankgas achteruit om in te parkeren. De jongen die de auto bestuurde, deed dat door met de palm van zijn hand in een cirkelbeweging over het hart van het stuur te draaien.

Jongens van een zekere leeftijd kunnen dat. De jongen in de auto is haar vriendje, dacht ik en omdat ik wilde weten of dat inderdaad zo was, stapte ik af en wendde voor de rozen in het perkje te bewonderen. De jongen in de auto was haar vriendje. Alles bij het oude dus, al kwamen wij indertijd op de fiets om onze vriendinnen op te halen.

Tien jaar eerder, in het begin van de jaren vijftig, stonden er geen jongens voor school en als er een feestje was en het was de bedoeling dat er gedanst werd, werden de jongens van Zeevaartschool in Den Helder uitgenodigd. Ik slaagde, maar had na die ondervraging geen zin meer in het feestje, wat me door Elsbeth zeer kwalijk werd genomen. Op het Azartplein, waar zoals iedereen weet Amphitrite op haar hippocampus uit een ­vijver oprijst terwijl zoonlief niet onverdienstelijk de hoorn bespeelt, keek ik naar het Lloyd Hotel.

Onlangs werd café Helmers in de Bilderdijkstraat gesloten en het aardige is dat het heropend weer café Helmers heet, met dezelfde letters op de ruit, maar anders van binnen. Zo heet het Lloyd Hotel nog altijd Lloyd Hotel, maar nu omdat het een hotel is en vroeger omdat het een gevangenis was en daarvoor een hotel. Een eindje verderop, langs de Veemkade, ligt een cruiseschip afgemeerd. Goed kijken, Guus, maan ik mezelf, want binnenkort komen ze hier niet meer.

Ik vond die cruiseschepen altijd aardige dingen, met die spuitende slepertjes voor en achter als ze de haven binnenvoeren, maar het schijnt dat er duizenden passagiers op zitten die de binnenstad onveilig maken.

De schepen worden nu naar het westelijk havengebied verbannen, waar de passagiers gaan passagieren op de Transformatorweg, waarmee dat probleem ook weer is opgelost.

Op de Levantkade heeft de storm van vannacht een ware slachting onder de stokrozen aangericht. Twee meter hoge bloemen liggen geknakt voorover, sommige met wortel en tak tussen de tegels vandaan gerukt. Tjeerd, Theo, Ronald, Corry, zie ze zweven. Tim vertelt me dat er een programma is dat gesproken taal omzet in geschreven woorden.

Sidney Bechet die ook aan boord was, zei later: Ik had eens een leuke vriendin met wie ik graag Lollipop zong, bij voorkeur op de fiets: In de herfst van dat jaar, denk ik, een herfst die ook de herfst van onze liefde zou blijken, had ik twee kaartjes bemachtigd voor een concert van Art Blakey en de Jazz Messengers, dat plaats vond in een uitverkocht Concertgebouw.

Maar mijn vriendin wou niet mee, want diezelfde avond trad Sidney Bechet op in Carré en daar wilde ze met alle geweld naartoe omdat ze Sidney Bechet zijn handtekening wilde vragen.

Voor straf nodigde ik haar leuke moeder mee die het prachtig vond met mij een jazzconcert te bezoeken. Toen zij overleed, vertelde ik mijn vriendin van toen over die avond met haar moeder. Daar wist ze niets van, of was ze het vergeten? En, o ja, het was geen concert van Sidney Bechet ­geweest waar ze naartoe ging, maar van Benny Goodman. Soms heb ik heimwee naar Caïro waar ik lang geleden nooit naartoe ging om Oum Kalsoum te horen zingen.

Amsterdamse jongens pissen nooit alleen. Als je in het café aankondigde dat je ging pissen, ging er altijd iemand mee. Als er buiten werd gepist wegens file bij de wc, stond je vaak met zijn zessen langs de gracht bruisende gaten te prikken in het donkere ­water. Er werden daar lacherige gesprekken gevoerd, vaak over het vrouwelijk schoon in het café en uitgeplast had iedereen weer dorst gekregen. Dus gauw naar binnen toe en kijken hoe het verder ging.

Het had wel wat, maar het mag niet meer zoals zoveel niet. Wel is er een monument voor de Onbekende Wildplasser verrezen. Het staat aan de sloot langs de sportvelden van Arsenal aan het IJsbaanpad, het beeld van een morsige oude man die het vanuit de geopende broek dag en nacht laat klateren.

Hij staat met zijn rug naar het sportveld toe en plast de voorbijganger recht in het gezicht, een onaangenaam schouwspel, temeer daar al dat plassen voor grote vieze vlekken rond de gulp heeft gezorgd. Liever dan deze vieze oude man is mij het vier, misschien vijf jaar oude jongetje dat ik in de Cliostraat onder het wakend oog van zijn moeder in een geveltuintje zag wateren, de korte broek op zijn enkels, de billen bloot. Maar het mooiste plasje behoort toch mijn geliefde.

Ze deed het in Porto, boven aan een hoge stenen trap met uitzicht op de stad en de Atlantische Oceaan, in de schaduw van een kathedraal. Nadat we de afdaling hadden ingezet, zag ik na enkele treden hoe het plasje ons inhaalde en vervolgens met ons mee liep, tree na tree na tree, gleed het langzaam met ons mee. Midden in het plantsoentje staat op een stervormig voetstuk een enorme stenen bol.

Wie om de bol heenloopt krijgt vier teksten te zien: Ik fiets onder de poort van de ­Carillonstraat door en beland in de glinstering van edelstenen, ­saffier, granaat, topaas, robijn, smaragd, om tenslotte te parkeren bij een broodjeswinkel op de hoek van de Van Wou en de Lutmastraat.

Op het smalle terras zitten vier Marokkaans-Nederlandse jongens aan de koffie verkeerd en de smoothies met een broodje erbij. Een van de jongens vertelt een verhaal, dat hij met een uitbundige pantomime illustreert. De jongen spreekt prima Nederlands, ik versta hem woord voor woord, maar wat hij zegt begrijp ik niet merkwaardig genoeg, het is of ik de voorwaarden van een verzekeringspolis zit te lezen.

De andere jongens lachen, waarop het hele toneelstuk nog een keer wordt ­opgevoerd. Deze keer lach ik mee. Vlak voorbij de ingang van de Markthallen ligt langs de Jan van Galenstraat een naamloos stukje water. Er liggen een paar mooie woonschepen en er staat een groot billboard waarop wordt beloofd dat ze binnenkort alles gaan verpesten met nieuwbouw.

Een elegant ijzeren bruggetje voor fietsers en wandelaars verbindt de twee oevers. Toen dat bruggetje er nog niet was, was er heel lang niks en daarvoor een pontje.

Zo sprak ik ­onlangs iemand wiens vader een handel in hondentrimartikelen dreef. Ook zijn er fabriekjes in ­leverpastei, maar het Groot ­Amsterdams Pontjes Boek bestaat niet, geloof ik. Het pontje aan de Jan van Galen kan ik me nauwelijks herinneren. Dat zal komen doordat de oversteek nog geen minuut geduurd kan hebben. Het pontje waarmee je de Amstel overstak naar de ­Omval met zijn watertoren en zijn gashouder was van een andere ­categorie.

In de bocht van de rivier waande je je op volle zee, wat ik leuk vond, met name omdat ik wist dat de oever nooit ver weg was.

Er was een pontje over de Schinkel, en verderop een pontje over de Nieuwe Meer en nog verderop een pontje over de Ringvaart. Over het Merwedekanaal bij Diemen ging het pontje aller pontjes, dat luisterde naar de naam Vadertje Langbeen. Ik ben er eens wezen kijken met mijn vader. Vadertje Langbeen was een veerwagen of railpont en voer niet, maar reed, over rails op de bodem van het ­kanaal. De pont gleed over het ­water of hij met het water niet van doen had.

En dan had je nog de pont transbordeur, een pontje dat over het water zweeft. De hoogste tijd voor een boek over pontjes. Zonder dat ik het in de ­gaten had, is er aan de schaduwzijde van het Rokin een lange eet- en drinkboulevard ontstaan met enorme eenheidsparasollen die zich slechts van elkaar onderscheiden door de naam van de zaak die ze drooghouden, Metropolitain, Tinner, café de Paris, het Groene Paleis.

Was dat niet een bordeel? Ja, maar dat is lang geleden. Wat me iedere keer verbaast, is dat het overal druk is. Aan de tafels onder de parasollen op het Rokin, bij de strandstoelen, bij Madama Tussaud, op de Dam. Ik stak de Dam over en bereikte, behendig tussen de toeristen door manoeuvrerend, de Zoutsteeg. Maar gelukkig, daar zag ik de haringvlag al wapperen.

Hij kwam eens een middagje invallen voor een zieke maat en is toen gebleven, zoals die dingen gaan. Bij mijn ­geboorte had ik al geen haast. We waren het weer helemaal eens met elkaar. We herinneren ons meer dan we ons denken te herinneren. Toen ik de herinneringen aan mijn eerste zes ­levensjaren in kaart bracht, bleek dat keer op keer.

Het is een kwestie van geduld, ontdekte ik, maar heb je eenmaal een spoor dan zal de herinnering vroeg of laat boven komen drijven. Deze keer ging het om autootjes. Ze moesten opgewonden met een sleuteltje, herinnerde ik me, maar er was meer.

Reden ze op rails? Ik probeerde me de verpakking voor de geest te halen, het specifieke geluid dat ze maakten, maar het lukte niet. Petertje, het goedaardige zoontje van mijn verschrikkelijke tante Mies, had een speelkamer vol spullen. Hij had een tafelvoetbal en pingpongbatjes, bouwdozen die ik me herinner als een voorloper van playmobiel en een heuse Schucobaan.

Op mijn favoriete plaatje zat Kuifje in een riksja die getrokken werd door een Chinees. Als ik in de Runstraat in een file ­terecht kom, sta ik plotseling ­ tegenover een fietstaxi waarin drie Chinezen zitten. Ik schiet in de lach, niet om de Chinezen, maar om het Kuifje dat de riksja trekt. Waar ik heen ging, zeg ik niet, maar op de heenweg fietste ik langs de nieuwe gemeenteklok op de hoek van ­Stadionweg en Beethovenstraat.

Ik dacht dat de gemeenteklok aan het verdwijnen was, maar hij is aan een glorieuze comeback­ ­begonnen. Schippers eens op het Rembrandtplein liet plaatsen en die allemaal een foute tijd aanwezen. Waar zijn ze gebleven trouwens, die klokken, en waar is de reusachtige blauwe stoel die hij in het Vondelpark neerzette?

De nieuwe gemeenteklok is elegant, slank, met een diep rood randje rondom en drie al even ­rode andreaskruisjes op de wijzerplaat. Ik kan niet wachten tot hij ook op andere plaatsen in de stad zijn gezicht laat zien.

Meestal zit het tegen, maar soms zit het mee. Tot zover de heenweg en nu ­terug. Ik rijd regelmatig langs de route en wat me opviel, is dat de bezoekers die met een routebeschrijving in de hand langs de beelden lopen het monument voor de gefusilleerde verzetsstrijders van Jan Havermans zonder uitzondering negeren. Ze lopen er langs of het er niet staat. Dat maakt nieuwsgierig naar de routebeschrijving, en ­inderdaad, het beeld van Havermans staat niet op de kaart en is er dus ook niet.

Maar bij het Conservatorium Hotel, op de hoek van de Van Baerle en de Paulus Potterstraat, staat, ook in het kader van ArtZuid, een beeld van Cristóbal ­Gabarrón de stad flink op te ­fleuren. De man stond op de hoek van de Frans Hals en de Quellijnstraat. Hij droeg een zwart pak en gele schoenen, er stak een witte bloem uit een knoopsgat en zijn overhemd was roze.

Hij leek een beetje op Sammy ­Davis Jr. Hij verplaatste zijn voeten en draaide met zijn heupen, een tegel was hem genoeg. De avond tevoren had ik een lang vergeten boek over Eduard Jacobs in de boekenkast gevonden. Met stijgende verbazing had ik zijn liedjes gelezen over de Ruysdaelkade, de Ceintuurbaan, buurt YY: Er was me nooit iets bijzonders opgevallen aan het adres en dus ging ik eens kijken.

De nummers 60 tot en met 66 bleken in beslag genomen door een keurig schooltje. Ik was de Rosmarijnsteeg ingelopen om eens te kijken hoe de ­zaken staan.

Antiquariaat Straat heet nu Wind en ze verkopen horloges en jurken. Het was droog en ik maakte van de gelegenheid gebruik om neer te strijken op het terras van Broodje Bert.

Ik bestelde een broodje oude kaas en een koffie verkeerd die eenmaal op mijn tafeltje in een latte en een sandwich old cheese veranderd bleken.

Een en ander smaakte er niet minder om. Op de fiets naar huis begon het weer te motten. In der Vijzelstraat reed ik achter een moslima die een mij onbekend type hoofddoek droeg.

De Turkse doek herken ik, net als de Marokkaanse, de Indonesische en de Afrikaanse, maar deze had ik nog niet. Bij de Weteringschans hield het op met regenen. Het meisje zette haar ­capuchon af, en veranderde zo van een moslima in een ongelovige. In het oorlogsdagboek van Hanny Michaelis kwam de Kattenbak Centrale langs. Meteen klapte er een kattenluikje open waardoor het bijbehorende lied naar binnen glipte.

Een paar dagen later zaten we in het Westerpark op een picknicklaken tussen de hapjes en de drankjes en maakte ik me op om het lied voor de aanwezigen ten gehore te brengen. Ik hief de stemvork en daar ging ie: Toen ik uitgezongen was, nam een vriendin het over en zij zong: Maar de moderne techniek bracht uitkomst en even later zong Gonda, met haar zusje op de speaker: Zoutvaatje in het midden en aan weerskanten een ei, hardgekookt, hoewel je dat op de foto niet zien kunt natuurlijk.

Eddy Posthuma de Boer vertelde me eens over een Nederlander in zijn kennissenkring die al jaren in Frankrijk kampeert zonder ooit een woord Frans te hebben ­geleerd. Als hij eieren nodig heeft, gaat hij naar de boer en zegt: Maar het perfecte eierrekje bleek wel degelijk te bestaan.

Het stond op de bar van café Bos aan de Amstelveense weg. Na enkele inleidende manoeuvres zei de barjuffrouw: Een paar weken later zaten we bij Sarphaat en dronk ik met uitzicht op het park een borrel uit het volmaakte borrelglaasje. De volgende dag troffen ze elkaar dan zeg om half elf bij de Vami in de Kalverstraat, waar de dienstertjes een schortje droegen en een kapje in hun haar.

Vandaag de dag is een afspraak maken een stuk ingewikkelder, maar soms lukt het en zo kon het gebeuren dat mijn vriend en ik ­elkaar op een zonnige zaterdagmiddag troffen op het eindpunt van lijn 3 in Oost.

Nou ja, dat kwam volgende keer dan wel. Ik heb deze wandeling vaak ­gemaakt, maar altijd voel ik me een ontdekkingsreiziger die onbekend gebied betreedt. Alles lijkt nieuw iedere keer. Het smalle voetpad met uitzicht op IJ en Buiten-IJ, de skyline van de stad en de heerlijke sluizen, waar je zomaar over de sluisdeuren heen mag ­lopen en als er geschut wordt het water stromen ziet.

Als jongen van tien kwam ik hier voor het eerst. Er lijkt weinig veranderd. Maar het Hoyerpad was er toen nog niet en Hoyer leefde nog, in Nescio, die toen, meen ik, op de Linnaeushof woonde en er vaak op uit trok. Op 30 december noteerde hij: Op een dag vond ik in een bak van een antiquariaat dat ik met enige ­regelmaat bezoek een groot aantal dichtbundels, allemaal, zo ontdekte ik al snel, ­afkomstig uit de nalatenschap van de eens alom gevreesde poëziecriticus Rein Bloem, die zelf ook versjes schreef, maar dat, die dingen gebeuren, stelde niet veel voor.

Zo wist Rudy Kousbroek precies hoe je een roman moest schrijven. Hij heeft het Gerard Reve nog eens haarfijn uitgelegd, maar zelf kon hij het niet. Hij heeft zelfs nooit een boek geschreven, een boek ­bedoel ik, dat niet bestond uit eerder in de krant verschenen stukjes.

Hugo Brandt Corstius was wat dat betreft van hetzelfde laken een pak, maar dit alles geheel terzijde. In de bak met nalatenschap van Rein Bloem trof ik onder meer Klein Voorspel, de debuutbundel van Hanny Michaelis, en Slechts de namen der grote drinkers leven voort van Riekus Waskowsky. Van beide dichters heb ik het verzameld werk al jaren in de kast, die bundels hoefde ik dus niet te ­kopen, maar ik deed het lekker toch.

Toen ik weer thuis de bundels ­inkeek, gebeurde er iets merkwaardigs. Het was of de gedichten die ik las andere gedichten waren dan dezelfde gedichten in het verzameld werk.

De verzen leken bevrijd, ze hadden zichzelf afgestoft en toonden zich vers als een fonkelende atalanta net uit zijn pop. Sindsdien weet ik wat ik zoek in de boekenbakken van de stad, de bundels van Nijhoff, van Lucebert, van Van Ostaijen en in die bundels zoek ik de verzen die zich tot dan toe schuil hielden: De kortste weg naar Theater Bellevue voert door de P. Hooft, waar we achter een groep toeristen terecht kwamen die zwalkend achter hun aanvoerder aan fietsten.

Bij Bellevue zag het zwart van de familie van de kinderen van groep 8 van Montessorischool De Jordaan die voor ons hun afscheidsmusical gingen ­opvoeren. Waar het hart van vol is… Laat me volstaan te zeggen dat het prachtig was. Er werd vol overgave gedanst, gezongen, geplaybackt en de grappen waren niet van de lucht, waarbij ik het hardst moest lachen om het jongetje dat in zijn rol van wiskundeleraar kwam zeggen dat Pythagoras was overleden. Dat Anne Frank werd herdacht met een prachtig gezongen lied konden we ook zeer waarderen.

Onze eigen kleindochter was een succès fou zoals u zult begrijpen, zoals u het ook niet zal verbazen dat de ontroerde grootouders het nauwelijks droog hielden. Ik zit nog in groep 7. De grootmoeder van de andere kant bewaarde geen enkele herinnering aan een voorstelling en op de school van mijn vrouw deden ze niet aan dat soort frivoliteiten, een hand van de meester, dat was het. Zelf had ik in ons­ ­toneelstukje de rol van Pukkel gespeeld. Na het afrekenen ging ik plassen.

Het viel niet mee om het te vinden, maar voor het eerst heb ik transgender gepist. Als je van de Olympiaweg het Olympiaplein op gaat in de richting van de Apollolaan kom je langs een rijtje huizen met een tuin ervoor en in iedere tuin een boompje. Tot voor kort dacht ik dat het knotwilgen waren, maar dat is niet zo. Wat het wel zijn, weet ik niet. Altijd als ik langs die huizen kom, denk ik aan Elke van Splunter, een meisje dat hier woonde in de jaren zestig van de vorige eeuw.

En altijd als ik aan Elke van Splunter denk, vraag ik me af waar ze gebleven is en neem ik me voor dat uit te zoeken. Een eindje verderop, bij het Van Heutsz-monument denk ik aan Paula Box, met wie ik in het najaar van , na een klasseavond bij Bart Wuite in de Harmoniehof, op de trappen van het Van Heutsz-monument heb staan, heb zitten zoenen. De stad is vol dwanggedachten. Nader ik station Sloterdijk, dan verdringen ze elkaar en buitelen over elkaar heen in hun poging mijn aandacht te trekken.

Soms waren we wel met zijn dertigen, en hoe het kan, weet ik niet, maar we kwamen altijd weg. Een paar jaar eerder, toen we nog op de lagere school zaten, gingen we naar de Coca Cola-fabriek om naar de lopende band te kijken,waarop de flesjes gevuld en gedopt werden. Het verhaal ging dat er wel eens een man naar buiten kwam van wie je dan een flesje Cola kreeg. Maar meegemaakt heb ik dat niet. Zoals bekend is de smartphone voor de al wat ­oudere medemens een van de grote mysteriën van het leven.

Wat vroeger God was, is nu de telefoon. Mensen zijn er de Godganse dag mee in de weer, maar met wat ze precies uitvoeren, daar kom je niet achter. Ik probeer weleens informatie in te winnen, maar je wordt afgescheept met vage verhalen, over geheimzinnige instituten die bezocht dienen te worden, berichten die op ondoorgrondelijke wijze verzonden worden en die dan tot tegenberichten leiden, een en ­ander vaak in groepsverband.

Maar hoe zit het omgekeerd, vroeg ik me laatst af. Vraagt de smartphonegebruiker die tegenover mij zit te duimen zich af wat ik met mijn lege handen te niksen zit?

Het moet heel raar voor hem zijn iemand te zien die naar de ­wereld kijkt zonder die wereld meteen vast te willen leggen op een schermpje. Intussen zit hij op zijn telefoon en vraag ik mij af welk snedig antwoord Nelly Frijda gaf toen Alies uit Ermelo die mijn haar knipt en met wie ik altijd zo gezellig praat, haar vroeg of ze Nelly Frijda was.

Alies heeft het me verteld, maar ik weet het niet meer, ik ben het vergeten. Maar dankzij Jack Spijkerman weet ik wel wat Gerard Cox zei toen de benzinepomphouder bij wie hij net getankt had, tegen hem zei: U komt me bekend voor. Waarop de man antwoordde: Op de Jozef Israëlskade deed het zonlicht pijn aan je ogen, maar vanuit de schaduw op de Amstelkade zag het er zomers uit. Ik was lekker langzaam aan het fietsen, tevreden met alles en ­iedereen. Met de mannen die aan hun bootjes klusten, met de twee vrouwen die voor een open deur met elkaar stonden te praten, de ene met in haar armen een enorme hortensia die rood in bloei stond, met het vooruitzicht van het uitzicht over de plas water dat zich zo dadelijk aan mij ging openbaren.

Aan de tafel aan het water zaten twee mannen koffie te drinken. We groetten elkaar als waren we dorpelingen. Om de hoek, waar het Muzenplein overgaat in de Churchillaanlaan, staat een zes meter hoog marmeren beeld, Verschuivingen van Ben Guntenaar. Op dat beeld staat, zoals wij van Het Parool allemaal weten, sinds een paar maanden King Kong met een speelvliegtuig te zwaaien. Tot voor kort kreeg ik hier altijd heimwee naar de zonnewijzer, maar van King Kong is Verschuivingen enorm opgeknapt, stelde ik vast.

Kong staat precies goed, alsof hij er altijd al geweest is. En op dat moment zag ik een theelepeltje liggen. Een theelepeltje, dacht ik. Mijn eerste impuls was afstappen om het theelepeltje op te rapen en in mijn zak te steken, want een theelepeltje, zeg nou zelf, komt altijd van pas en van theelepeltjes kan je er nooit genoeg hebben.

Maar gelukkig wist ik me te ­beheersen, want ik weet hoe het gaat, het begint met een theelepeltje, maar binnen de kortste keren sleep je aan een touwtje een magneet achter je aan en heb je een karretje achter je fiets hangen om de gevonden voorwerpen op te slaan. In oktober gingen wij voor een korte vakantie naar Malmédy. Aan de vooravond van ons vertrek begaf ik mij naar het Rokin om bij Allert de Lange een boek te kopen.

In Malmédy sloeg ik het boek open en ik las: En ik maakte mijn begin met Pride and Prejudice, waarin Elizabeth Bennet de hoofden voor altijd op hol brengt. Wat een heldin, wat een boek, wat een schrijver. Op 16 december werd gevierd dat het tweehonderd jaar geleden was dat Jane Austen was geboren. Ik dacht aan de schrijfster als baby en vanaf dat moment heb ik haar altijd in de buurt ­gehouden, als kind, als meisje, als jonge vrouw, als schrijver.

Eenenveertig jaar lang, van haar geboorte tot haar sterven op 18 juli , vandaag tweehonderd jaar geleden. Wie nu naar de Portrait Gallery in Londen gaat om het door haar zuster Cassandra getekende portret te bekijken, betreedt een donkere kamer, waar hij heel even een lichtje mag laten schijnen. Ik kende al iemand die een Nana van Niki de Saint Phalle stuk had laten vallen en nu blijk ik ook nog iemand te kennen die een Keith Haring heeft kwijtgemaakt.

In de tram laten staan. Zelf heb ik eens een vijftienliter bonbonnetje wijn uit de Roussillon in de 13 laten staan. We hadden het meegebracht voor Dikke Willem, een schimmige belastingadviseur die zijn diensten graag in producten kreeg uitbetaald. Dat zou niet lukken deze keer, want dat bonbonnetje was weg en kwam niet terug natuurlijk. Na dat ene glaasje volgden er meer en het einde van het liedje was dat toen Dikke Willem aankondigde dat hij zijn bonbonnetje kwam halen, het bonbonnetje in kwestie leeg was.

Goede raad was duur en dus begaven we ons naar de Hema waar we twintig flessen goedkope wijn kochten die we vervolgens, o schande, in het bonbonnetje overgoten. Maar die Keith Haring was weg en bleef weg.

Dit in tegenstelling tot die andere Keith Haring die weg is, want die is wel weg, maar hij is er wel. Het is een giraffe en Haring schilderde hem op een doosvormig gebouw dat op het terrein van de Markthallen staat.

Ik ging vaak naar de Willem de Zwijgerlaan om ernaar te kijken, en ineens was hij weg. Verdwenen onder een betimmering. Als het stil is op de Willem de Zwijgerlaan kun je de giraffe horen zuchten. De ­Engelsen zouden het Centraal Station in elkaar gooien.

De spoorwegarbeiders zouden staken. De invasie zou net op het laatste moment plaats hebben. Zij had niet plaats. De communisten zouden iedereen ontvoeren, die toch opkwam.

We zijn wel geregistreerd en zijn toen doorgegaan met bestemming Auschwitz. Ons transport was zeer groot. Na de oorlog werden acht overlevenden geregistreerd. Je zou denken dat de hele stad in rep en roer was door de gebeurtenissen, maar niets is minder waar. Het leven ging zijn gang alsof er niets aan de hand was. Ik begreep niet wat ze bedoelden, en toen bleek, dat er een begin was gemaakt met het deporteren van Hollandse en Duitse Joden tussen 16 en 40 jaar. Wie iets wil begrijpen van de gang van zaken rond oproep, deportatie, onderduik en de emoties die dit met zich meebracht, leze haar dagboek.

Ik ken iemand die al meer dan dertig jaar ieder oneven jaar een paar weken naar ­Venetië gaat. De laatste keer dat zijn vliegtuig vlak voor de landing over de stad vloog, keek de man de naast hem zat enige tijd naar beneden en formuleerde het toen zo: Ik herinner me dat ik op de voorplecht stond en de hoofdstad van het eiland snel dichterbij zag komen. Het leek of het stadje steeds kleiner werd. Een wandeling hier, een baaitje daar, een opgraving, aardbeien en kersen van de kar, het ­archeologisch museum, een pleintje met een restaurant waar ze de heerlijkste aubergie kroketjes verkochten, het kon niet op.

Waar we allemaal niet geweest ­waren toen we weggingen. Hoe beter je een stad kent, hoe groter hij wordt en hoe meer er te doen en te zien is. Voor ons ­Amsterdammers is Amsterdam de grootste stad van de wereld, de stad waar we nooit uitgekeken zullen raken. De Nieuwegang wel eens in gelopen?

Biertje gedronken in de Wacht-­kamer 3e klasse in het Centraal Station? Wel was ik nog niet zo lang geleden voor het eerst van mijn leven in de Sint Nicolaaskerk. Vlak naast de basiliek bleek zich café Batavia te bevinden.

Welke kant ik op moest was duidelijk en dus reed ik de Keizersgracht op en de Nieuwe Spiegelstraat uit tot de Spiegelgracht.

Daar begon ik er zin aan te krijgen, want de Spiegelgracht heeft een heerlijke stille kant met een leuke speelgoedwinkel die bovendien uitkomt op een van mijn favoriete grachtjes, de Zieseniskade. Er is een liedje over bomen die dromen hoog boven verkeer en bootjes die over het water gaan, net als weleer, volgens mij is dat hier. Overal om je heen heerst ­hedendaagse chaos, maar op de Zieseniskade is geen mens te bekennen.

Het is of we niet weten dat de kade bestaat. Vlak voor de City blijk ik ineens op een voetgangerspad te rijden, maar bij de kruising met de Leidsestraat ben ik weer waar ik hoor te zijn. Koekjesbrug over, stukje Nassaukade en dan de Jacob van Lennepkade op. Drummend kunstenaar Han Bennink het is omgekeerd, maar dat gaat niet vertelde me eens dat zijn broer en hij de ­zomers van hun jeugd altijd doorbrachten in de badplaats waar wij zo graag komen, omdat alles er is als vanouds alsmede mooi van ­lelijkheid.

Toen hun moeder was overleden besloten de broers haar as vanaf een van de strekdammen in zee te verstrooien. Nou, je weet hoe ik met mijn schoenen ben. Ik poets ze vaker dan mijn tanden. Waarop de uitbaatster van het paviljoen aan ons tafeltje verscheen om te vertellen hoe blij ze was dat we er weer waren.

Ze bleef nog even dralen. Om haar verhaal te vertellen, bleek. Over een middelbaar echtpaar dat haar had verteld dat ze waren gekomen om de as van zijn moeder in zee te verstrooien. Ik keek wat er in zat en ja hoor, moeder. Maar het verhaal is nog niet af, want twintig minuten later kwam iemand een kruisje brengen dat hij op het strand gevonden had. Een kruisje met twee jaartallen er op, verder niks. Ik heb het in de keuken gehangen. Helemaal aan het begin van de Schilderskade, daar waar de Amstel de stad in stroomt, staan op de brug twee huisjes.

Ze zien eruit als de Turkse badhuisjes die je bij Turkse dorpen wel aantreft. Op het huisje aan de kant van de Jozef Israëlskade stond dat er hoogspanning in zat, op het andere huisje stond niets.

Ik had mijn weg al vervolgd toen ik nieuwsgierig werd. Ik trof een man die voor zijn huis op een bankje naar het water zat te kijken. Of hij wist wat voor het huisjes het waren, wilde ik weten.

Dat wist hij niet, maar hij wist wel dat in het huisje aan de Amstel-­kadekant een theatertje zat waar een buurtbewoner af en toe voorstellingen voor kinderen organiseerde en met Kerstmis een kerstverhaal voorlas. Op dat moment zag ik dat er in de deuropening van het huis twee kleine kinderen achter een tafeltje zaten met wat spulletjes erop.

Bleek dat Aike 6 en Anne 4 die middag een tattooshop hadden geopend, waar je tegen betaling een stempel op je arm kon laten zetten. En kleren pakt hij wel aan, maar ze aantrekken doet hij niet. In het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom, was ik al een tijd niet geweest. Dat kwam doordat Rina zich niet meer achter de bar liet zien. Waarmee meteen de vraag rijst of je een café bezoekt voor het café of voor de barjuffrouw.

Staat er een man achter de bar, dan is de zaak wat mij betreft duidelijk. In café de Ster kwam ik voor het café, net als in de Schouw en de Broadway Bar.

Maar als het om de Cotton Club gaat, wordt het al ingewikkelder. Geweldig café, de Cotton Club, maar juffrouw Annie was ook niet mis. En ik denk niet dat ik zeven jaar in Emmelot was blijven hangen als Jossie en Marie er niet de scepter hadden gezwaaid. Rina bleek weg geweest om van een kleinkind te bevallen. Maar nu was ze er weer en om het te vieren bood ik haar een colaatje pils aan.

Twee pilsjes later raakte ik aan de praat met een Amsterdammer die vertelde dat hij vorig jaar in Kusadasi was geweest. Het was er 45 graden in de schaduw, zodat we meteen de eerste dag al van top tot teen verbrand waren, als kreeften ­waren we, en het enige wat we toen nog konden doen, was op die kamer blijven, waar het ijskoud was, van de airco, zodat je de hele dag onder een dun dekentje op bed lag, terwijl er een enorme zandstorm stond, van dat dunne gemene zand dat in je eten gaat zitten, dat trouwens niet te eten was, ­Kusadasi, praat me er niet van.

Nee, dit jaar ga ik lekker vissen. Op de hoek van de ­Amstelveenseweg en de Laan der Hesperiden die vroeger Stadionplein heette als ik me niet vergis, zat een groot café waar het op de zondag heel druk was. Het zal café Het Stadion of iets dergelijks hebben geheten. Nu zit er Mr. Sam met een leeuw voor de deur. Het was een zomerse dag en een eindje verderop zat in de vensterbank die ze tot bank had omgetoverd een jonge vrouw half liggend een bord soep te lepelen.

Ik keek naar het Olympisch Stadion en bedacht dat er inmiddels alweer een hele generatie is opgegroeid die denkt dat het stadion er altijd zo heeft uitgezien. Een deel van de generatie stond op een veldje naast het stadion ­fanatiek een onduidelijke sport te beoefenen.

Op de Jan Wilsbrug keken twee vrouwen vertederd naar een meerkoetennest vol jonge meerkoeten en vanaf de eilanden in de Schinkel woeien de zwemgeluiden me reeds tegemoet.

Tot voor kort loste je op als in zoutzuur als je in de Schinkel viel, maar nu is het weer zwemwater en op mooie dagen worden de eilandjes uitbundig bezet door kinderen tot een jaar of zestien die lachen, flirten, duwen, duiken, zonnen, zwemmen. Vorig jaar zag ik zes meisjes uit groep zeven hand in hand van de steiger springen. Nu zijn ze, nog even, van groep acht. Ik liep over de kermis die net bezig was open te gaan.

Langzaam schoven de rolluiken van de ­attracties omhoog en tevoorschijn kwam de kraam die er precies zo uitzag als toen hij gisteren dichtging. De slager of de visboer moet zijn uitstalling elke morgen in de vitrines leggen, maar de kermisklant laat de pluchen beren en tijgers en grote roze honden ­gewoon hangen of op de toonbank staan en gaat de volgende middag verder waar hij gisteravond was gebleven.

Hoewel er nog geen muziek was, zaten de twee verveelde meisjes van de popcorn al op hun eerste klant te wachten. De griezelige slingermachine die naar de naam Booster luistert, draaide driftig oefenrondjes.

Alles ziet er anders uit op de kermis van tegenwoordig, maar veel is toch hetzelfde gebleven. Een schiettent zag ik niet, maar er werden zuurstokken verkocht en nougat verkocht en er was een Oud Hollandse Oliebollenkraam. In het beginnersachtbaantje klonk het eerste gegil, en daar had je de muziek, kermismuziek! De zweef is verdwenen, maar in de moderne variant zat een moeder met haar zoontje in een lichtblauwe olifant net zo opgetogen te kijken als wij dat deden met onze dochter in de draaimolen.

Toen ze zes was zou ze met alle geweld naar het Spookhuis. Wij in de rij, kaartje gekocht, in het wagentje gestapt en het Spookhuis binnen gereden, waar ze van het eerste de beste skelet zo verschrikkelijk schrok, dat ze nog maar een ding wou, weg van hier, naar huis.

Ze is als de Venus van Botticelli met dat verschil dat ze niet bloot op een schelp staat, maar op een bankje zit en schuine ogen heeft. Ik probeer een boek te ­lezen, een boek over het jongensgevoel en het eten van sinaasappels.

Ik vind het boek veel beter dan ik het tweeënvijftig jaar geleden vond, maar toch kan ik mijn gedachten er niet bij houden. Ze gaat gekleed in een soort vest dat bij elkaar wordt gehouden door een ceintuur en is een en al been.

Als ze op haar telefoon kijkt, laat ze een besmuikte glimlach zien die soms overgaat in een brede glimlach, in een binnenpretje of een ingehouden lach.

Regelmatig doet ze haar haar achter oor of schikt ze haar pony. In haar linkeroorlel zit een zilveren oorbel waar ze af en toe aan draait, terwijl ze met haar tong iets tussen twee tanden vandaan probeert te krijgen. Ze is 23, besluit ik, en natuurlijk heeft ze allang gezien dat ik doe alsof ik lees, maar dat ik in werkelijkheid naar haar zit te kijken. Ze slaat haar benen over elkaar en bekijkt haar ogen in de spiegel van haar telefoon.

Met de buitenkant van haar gebogen wijsvinger veegt ze langs haar neusvleugels en dan haalt ze een wenkbrauwpotlood tevoorschijn. Als ze haar lippen in de lippengloss gezet heeft, bergt ze alle spullen op en schudt haar pony. Wat ik al vreesde, blijkt waar. Als een gemeenteklok eenmaal stilstaat, is het einde nabij. De klok op de hoek van de Beethovenstraat en de Stadionweg die zo lang op tien over acht heeft gestaan, is verdwenen.

De paal waar hij op stond, staat er nog, een beetje verdwaasd, als een grutto in het vroeg gemaaide gras. Op de hoek waar de paal staat, kon je op zoele zomeravonden van lang geleden vaak een kleine maar opgewonden samenscholing treffen.

Het middelpunt van de ­samenscholing was een schone op een scooter, die zich alle belangstelling graag liet aanleunen, de schone meen ik. Haar leuke zusje heette Vivian. Vivian kende ik van de tennisbaan. Vivian kon niet tennissen, maar onder haar tennisrokje droeg ze petticoats in zeven kleuren. Om de een of andere reden maakt dat vergevingsgezind.

Vivian en haar zusje woonden in een enorm appartement, dat uitkeek op de gemeenteklok. Ik heb daar voor eerst een voetbalwedstrijd op tv gezien. Nederland-Duitsland, of omgekeerd, dat weet ik niet meer. Op een keer stond ik voor de reusachtige boekenkast met een scheef hoofd de titels te lezen toen haar vader in het voorbijgaan liet weten dat ik uit de kast mocht­ ­lenen wat ik wou, als ik de boeken maar weer terugbracht.

De vader was impresario en ­beroemd ­geworden door bij het Centraal Station op een treinstel een opgezette walvis tentoon te stellen.

Je kon erin, in de walvis. Door zijn wijd opengesperde ­kaken betrad je zijn binnenste, waar het stonk en niets te zien was. Maar je was wel in een walvis ­geweest, en wie kon je dat nazeggen, behalve ­Jonas dan. Ik denk dat er geen straat in Amsterdam is die zo vaak van naam verandert als de Ceintuurbaan: We zaten bij Par Hasard onder de bomen en keken de Ceintuurbaan af, die hier inderdaad Ceintuurbaan heet.

Er fietste een man voorbij met een bas op zijn rug en in de bocht naar de Ferdinand Bolstraat passeerde de 24 de Terwijl een meisje onze friet kwam brengen, met een biertje en een glaasje wijn erbij, kwamen er uit het studentenhuis dat boven het café ­gevestigd is een heleboel jeugdige personen tevoorschijn die zichzelf een leuke avond beloofd hadden.

Ze hadden er zin in, dat zag je aan alles. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 een 24, een man op een fiets reed banjospelend voorbij, terwijl de zwangere vrouw tussen tafel en bank vandaan probeerde te komen.

Hij rekende af en hand in hand liepen ze richting Sarphatipark. Toen het visje soldaat gemaakt was, gingen wij ook. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 de Langs het Jollenpad reed ik naar de plek waar ik een rij huisjes wist te staan, direct aan het water, met voor de deur een tuin en een lange steiger.

Wij gingen daar regelmatig op bezoek. Tante Ans zat aan een laag tafeltje en sprak als Sint Franciscus met de mussen die in kleine groepjes samendromden aan haar voeten. Af en toe waagde een mus zich op het tafeltje en de brutaalste onder hen zaten haar in het haar of pikten een broodkruimel tussen haar lippen vandaan. Tante Ans had twee dochters van wie ik de namen was vergeten.

Bij de huisjes aan het pad die onveranderd leken, stond een al wat oudere vrouw. Ik legde uit waarom ik niet verdwaald was, waarop zij vroeg of ik de naam wist van de mensen waar ik als kind op bezoek kwam. Tijdens mijn biertje en een onvergetelijke portie ossenworst raakte ik aan de praat met een vrouw die vertelde dat ze eerst rechten had gestudeerd en toen onderwijzeres was geworden. Tegen de kinderen zei ze altijd: Ik heb een vriend met een ­auto.

Als hij in zijn auto rijdt en mij ziet fietsen, komt hij me achterop, draait zijn raampje open en roept iets als: Een keer, we reden in de Hondecoeterstraat ter hoogte van de ­inmiddels gesloten Melkhandel waar ze zulke lekkere broodjes verkochten, dreigde het lelijk uit de hand te lopen.

Mensen in de winkel kozen partij voor mij en voor de fiets tegen de auto en zijn bestuurder, waarna enkele stratenmakers zich solidair verklaarden.

In de tram gaat het ook. Ik wist dat zij jou zwaaien ging. Op brug over het Amstelkanaal staat op iedere hoek een huisje met een pannendak.

Als je de Schilderskade af komt in de richting van de Amstel, zie je dat het in eerste huisje True Beauty is gevestigd, een skin care center.

In het huisje aan de overkant zit een meneer aan een grote tafel met een laptopje erop in zijn eentje Mise en place te wezen. Toen ik als jongen op de banen bij de Apollohal tenniste, zat hier een sportwinkeltje. De man van het winkeltje bespande tennisrackets, met nylon en met kattendarm, en dat deed hij zo goed, dat je als je met een door hem bespannen racket speelde niet verliezen kon.

Verder dan het vervangen van een of twee gesprongen snaren kwam ik niet. Maar dat ze door hem waren vervangen, hielp al. Het mooie van Pizzeria San Marco en is dat je je pizza ook met de boot kunt afhalen. Of dat ook gebeurt, vroeg ik aan de Italiaan die in het keukentje voorbereidingen trof voor het dagelijkse pizza bakken, maar omdat hij de vraag niet begreep, kon hij geen antwoord geven. Het glas nooit vol, maar ook niet leeg, en zonder al te veel te zeggen.

Streepjes op een bierviltje hielden de score bij. Af en toe bracht de barkeeper de telefoon en zei: Het glas werd vaker bijgevuld dan het kannetje, zodat cola met jenever van cola met ­jenever langzaam veranderde in jenever met cola en van jenever met cola in jenever. We rookten filtersigaretten en mijn vriend had zijn zonnebril opgehouden. Van tijd tot tijd namen we een biertje om het weg te spoelen.

Dat ­betekende dat hij iets gewonnen had met het paard waarop hij had ingezet in café Cramm op de Nieuwendijk. Maar straks was nog ver en naar Cramm kon altijd nog. Voorlopig zorgde de zon die voor de deur lag en aan de ruit hing nog voor zoveel licht dat van verkassen geen sprake kon zijn. De gelukbrengende ­halve centen, zoals ­verkocht door de postzegelwinkel bij mij om de hoek, kosten twee euro vijftig per stuk, maar voor een tientje koop je er geen vier, zoals ik schreef, maar vijf.

Plus dat geluk dus. Aan de wand, tussen de duizenden postzegelalbums, hing een foto van Parnassus in een vorig bestaan. Het oude postkantoor in de Gerard Terborgstraat, dacht ik, bijna goed, maar toch fout, want het was het voormalige hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds. Ik kwam er graag. Ik was dol op de rijen voor al die loketten, ­loketten voor brieven, loketten voor pakjes, voor postzegels en ­filatelie, voor aangetekende stukken, de postgiro en poste restante, en het leukst van allemaal, voor telegrammen.

Ik stuurde vaak voor de lol een telegram om het in gedachten te volgen op zijn avontuurlijke reis. Er stonden ook tafels waaraan je plaats kon nemen om een brief te schrijven of zomaar wat te zitten. Het viel niet te ontkennen. Weer op straat raakte ik in gesprek met een jongetje met een masker dat hem als hij het opzette in Zorro veranderde. Toen ik het poortje naar de binnentuin binnenging, rende hij naar zijn moeder en riep: Ik wil niet opscheppen, maar mooi dat ik wel een van de weinige mensen ben die ­zowel Lubbert van Gortel als Drika hebben gekend.

Dat komt doordat ik een op een personeelsfeestje ben geweest waar ze allebei optraden. Het feestje vond plaats op de Bep Glasius, het vlaggenschip van Rederij Koppe die zijn schepen achter het Centraal Station had liggen en kantoor hield in het inmiddels verdwenen Storkhuisje.

Op dat feestje kwamen ze de loopplank over als Henk Jansen van Galen en Annie Palmen, maar al tijdens het schutten in de Oranjesluizen hadden ze zich verkleed als Lubbert en Drika, dit wel zeggen als namaakboer en namaak vissersvrouw in verzonnen klederdracht.

Ik zei dat ik een groot fan was en altijd naar de Boertjes van Buuten keek, maar ik geloof dat ze mij niet erg geloofden. Ik geloof dat ze zelfs dachten dat ze in de maling werden genomen, maar ik meende het. Maar als er een nieuwe eigenaar ten ­tonele verschijnt, heb je daar niets aan. Meedogenloos gaat de sloopkogel erin, weg schitterende glasgevel, weg uitbouwen en ornamenten, weg meesterwerk van Jan Kuijt de architect die ook de uitzinnige kerk van Halfweg op zijn naam heeft staan.

Niemand heeft zijn stem laten horen in een poging dit kwaad te voorkomen en nu is het te laat. Een eindje verderop op het ­Rokin is ook iets vreemds aan de hand.

Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae heeft zijn deuren opengegooid en laat middels grote schoolborden weten dat je er terecht kunt voor diner. Zitten ze plotseling in een club waar iedereen lid van is. Is het dan nog wel een club, kan je je afvragen. Als ik langs Arti kom, kijk ik naar het stuk kademuur aan de andere kant van de straat, recht tegenover het kantoortje van rederij Kooij.

Uit de nevelen van het verleden doemt een meisje op, een jonge vrouw met donker haar en donkere ogen die haar voeten boven het water bungelen laat, terwijl ze een Dunhill blauw met filter rookt. Ik gids een laatste rondvaart door nacht en gracht en als we afgemeerd zijn en ik de fooi gedeeld heb met de kapitein en over het water naar de kade kijk, zwaait ze naar me met haar sigaret die ­oplicht in het duister. Vlak voor Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat staat een bord dat een wandelpad belooft.

Eenmaal op het pad zie je een ander bord dat zegt: Het pad, dat drie tegels smal is, gaat achter Te Vraag langs en langs de woonboten aan de Schinkel, waarvan de meeste zich als villa hebben vermomd, met riante terrassen voor de deur of op het dak. De ­inhoud was helaas teleurstellend. Vlak voorbij Poldergemaal Jaagpad 25 A kwam ik een man achterop die een gereedschapskist op zijn schouder droeg. Om me te ­laten passeren, ging hij in de berm staan. Dat schip waar ik werk was bijna gezonken.

Ik ben nu al drie maanden bezig. Eenmaal bij de sluis was het lawaai zo oorverdovend dat ik vreesde voor de geestelijk welvaren van de bewoners van de boten hier. Ik zou binnen een dag rijp zijn voor opname.

Vanuit de Vijzelstraat ga ik de Herengracht op om even langs het huis van de burgemeester te ­komen. Als de rondvaartboot langs het huis van de burgemeester voer, zeiden wij: Nu valt er niet veel te lachen als je het huis van de burgemeester passeert, alleen maar te hopen, en hem sterkte en het beste te wensen.

De brug over de Reguliersgracht die ik in zicht krijg, is een van de steilere klimmetjes van onze stad. Tot mijn schrik zie ik dat de brug vol staat met scholieren die poseren voor een groepsfoto.

Ik weet hoeveel moeite het mij gaat kosten om boven te komen en welke commentaren dat gaat opleveren. Op de top wuif ik en ze zwaaien terug, allemaal. In de afdaling naar de Amstel passeer ik zesenwtintig in identieke T-shirts gestoken bouwvakkers die naast elkaar hun boterhammen met theeworst zitten te ­besmeren. Of was het pindakaas? Het schouwspel heeft me hongerig gemaakt. Er staan vijf bankjes, alle vijf zijn ze bezet. Bij Quick, de lijstenmaker op de Ceintuurbaan waar ik een piepklein dingetje bracht om ingelijst te worden, vroeg ik aan Job die onlangs vader is geworden hoe het met de kleine stond, of hij de tafel van acht al kon opzeggen en naar welke middelbare school hij ging en meer van dat soort grootvader flauwiteiten.

Dat niet nee, maar de baby was inmiddels anderhalf dus kon al wel van alles. Job grinnikte, en zei toen dat hij met een Griekse ­getrouwd was. Gerustgesteld ging ik de deur uit, richting Concertgebouw en vandaar door de Van Breestraat naar de Valeriusstraat. De Valeriuskliniek is definitief verdwenen. Het enige wat nog aan het gebouwencomplex herinnert, is een kale zandvlakte met een hek er omheen.

Maar in de straten van Zuid bloeien de rozen, rood en wit, geel en rose, theerozen, tuinrozen, klimrozen tot aan de daklijst of tot in de kruin van een uitgebloeide meidoorn.

Toen ik wilde betalen, bleek de boel op slot te zitten, maar een bordje zei: Dat kwam pas toen ik uit een bak een ­Amsterdamsch stratenboekje kocht. Het is uit , toen het 20 cent kostte. In de eerste plaats zijn er de straten die er nog niet waren. Ik was er nog niet in , maar de Esmoreitstraat waar ik geboren ben ook niet. De hele Bos en Lommer moest nog gebouwd worden. De Rivierenlaan was er ook nog niet, maar de Rijnstraat weer wel, net als de Vechtstraat.

Ook interessant zijn de verdwenen straten, die zich met name in de Jodenbuurt bevonden. De bewoners werden vermoord, hun huizen gesloopt en de straten van de plattegrond verwijderd, Joden Houttuinen, Zwanenburgerstraat, Lange Houtstraat, Moddermolensteeg, Lazarussteeg, Vlooienburg, alles verdwenen. Net als de gangen. De eerste straat in het Amsterdamsch stratenboekje is de Aalsmeerdergang, bij de Lindengracht.

Daarna spotte ik de Arke Noachsgang, de Baafjesgang en toen maar liefst zes Bakkersgangen. De hele stad bleek vergeven van de gangen, Hoedenmakers, Klokken, Koehouders, Kuipers, Rozenmarijn, Rozennobel, Schelvis, Schoenmakers, Schuitenvoerders, Slachters, Sleepers, gangen, gangen, het houdt niet op. De doodlopende steeg die ik aan het begin van dit Gelukje betrad, bevindt zich in de Hazenstraat, zo tussen Kunstverein en Galerie Stigter Van Doesburg.

Hij is anderhalve meter breed. De gang heeft geen naam, maar was vroeger, denk ik, een van de acht Gruttersgangen die de stad rijk was. Voor de draaideur van de Albert Heijn stond een man met vier bananendozen aan zijn voeten. De bananendozen waren op ­elkaar gestapeld en reikten tot iets boven zijn knieën. De man keek een tijdje naar de dozen en liet zich toen door de knieën zakken in een poging de vier dozen in een keer op te tillen. Toen dat niet lukte, splitste hij de stapel in tweeën en probeerde twee dozen onder ­iedere arm te nemen.

Toen dat ook niet lukte, zette hij de vier ­dozen naast elkaar en probeerde ze zo op te tillen, wat niet lukte. Tenslotte stapelde hij ze weer op elkaar, tilde ze op en liep weg. Mij enigszins verbijsterd achter ­latend.

Na een jaar in de diepvries werd de haring toch minder, maar ik had gelijk, het was niet meer zo als vroeger, toen haring aan het eind van het seizoen bruine vlekken kreeg en wel erg tranig smaakte.

Vandaag is de nieuwe haring er weer en zijn alle haringkarren in de stad voor een dag een klein ­cafeetje. Ik heb een vriend in Smilde. Als we elkaar spreken, spreken we elkaar in Amsterdam en dan zegt hij dingen als: Dat ik herken omdat ik een vorig leven een paar maanden in Zuid-Laren heb gewoond, vlakbij de Brink, boven de elektrawinkel van De Boer. Of woorden van gelijke strekking.




opa trekt zich af erotische massage emmeloord

...

Zo heet het Lloyd Hotel nog altijd Lloyd Hotel, maar nu omdat het een hotel is en vroeger omdat het een gevangenis was en daarvoor een hotel. Een eindje verderop, langs de Veemkade, ligt een cruiseschip afgemeerd. Goed kijken, Guus, maan ik mezelf, want binnenkort komen ze hier niet meer. Ik vond die cruiseschepen altijd aardige dingen, met die spuitende slepertjes voor en achter als ze de haven binnenvoeren, maar het schijnt dat er duizenden passagiers op zitten die de binnenstad onveilig maken.

De schepen worden nu naar het westelijk havengebied verbannen, waar de passagiers gaan passagieren op de Transformatorweg, waarmee dat probleem ook weer is opgelost.

Op de Levantkade heeft de storm van vannacht een ware slachting onder de stokrozen aangericht. Twee meter hoge bloemen liggen geknakt voorover, sommige met wortel en tak tussen de tegels vandaan gerukt.

Tjeerd, Theo, Ronald, Corry, zie ze zweven. Tim vertelt me dat er een programma is dat gesproken taal omzet in geschreven woorden. Sidney Bechet die ook aan boord was, zei later: Ik had eens een leuke vriendin met wie ik graag Lollipop zong, bij voorkeur op de fiets: In de herfst van dat jaar, denk ik, een herfst die ook de herfst van onze liefde zou blijken, had ik twee kaartjes bemachtigd voor een concert van Art Blakey en de Jazz Messengers, dat plaats vond in een uitverkocht Concertgebouw.

Maar mijn vriendin wou niet mee, want diezelfde avond trad Sidney Bechet op in Carré en daar wilde ze met alle geweld naartoe omdat ze Sidney Bechet zijn handtekening wilde vragen. Voor straf nodigde ik haar leuke moeder mee die het prachtig vond met mij een jazzconcert te bezoeken. Toen zij overleed, vertelde ik mijn vriendin van toen over die avond met haar moeder. Daar wist ze niets van, of was ze het vergeten? En, o ja, het was geen concert van Sidney Bechet ­geweest waar ze naartoe ging, maar van Benny Goodman.

Soms heb ik heimwee naar Caïro waar ik lang geleden nooit naartoe ging om Oum Kalsoum te horen zingen. Amsterdamse jongens pissen nooit alleen. Als je in het café aankondigde dat je ging pissen, ging er altijd iemand mee. Als er buiten werd gepist wegens file bij de wc, stond je vaak met zijn zessen langs de gracht bruisende gaten te prikken in het donkere ­water. Er werden daar lacherige gesprekken gevoerd, vaak over het vrouwelijk schoon in het café en uitgeplast had iedereen weer dorst gekregen.

Dus gauw naar binnen toe en kijken hoe het verder ging. Het had wel wat, maar het mag niet meer zoals zoveel niet. Wel is er een monument voor de Onbekende Wildplasser verrezen.

Het staat aan de sloot langs de sportvelden van Arsenal aan het IJsbaanpad, het beeld van een morsige oude man die het vanuit de geopende broek dag en nacht laat klateren. Hij staat met zijn rug naar het sportveld toe en plast de voorbijganger recht in het gezicht, een onaangenaam schouwspel, temeer daar al dat plassen voor grote vieze vlekken rond de gulp heeft gezorgd. Liever dan deze vieze oude man is mij het vier, misschien vijf jaar oude jongetje dat ik in de Cliostraat onder het wakend oog van zijn moeder in een geveltuintje zag wateren, de korte broek op zijn enkels, de billen bloot.

Maar het mooiste plasje behoort toch mijn geliefde. Ze deed het in Porto, boven aan een hoge stenen trap met uitzicht op de stad en de Atlantische Oceaan, in de schaduw van een kathedraal. Nadat we de afdaling hadden ingezet, zag ik na enkele treden hoe het plasje ons inhaalde en vervolgens met ons mee liep, tree na tree na tree, gleed het langzaam met ons mee.

Midden in het plantsoentje staat op een stervormig voetstuk een enorme stenen bol. Wie om de bol heenloopt krijgt vier teksten te zien: Ik fiets onder de poort van de ­Carillonstraat door en beland in de glinstering van edelstenen, ­saffier, granaat, topaas, robijn, smaragd, om tenslotte te parkeren bij een broodjeswinkel op de hoek van de Van Wou en de Lutmastraat.

Op het smalle terras zitten vier Marokkaans-Nederlandse jongens aan de koffie verkeerd en de smoothies met een broodje erbij. Een van de jongens vertelt een verhaal, dat hij met een uitbundige pantomime illustreert. De jongen spreekt prima Nederlands, ik versta hem woord voor woord, maar wat hij zegt begrijp ik niet merkwaardig genoeg, het is of ik de voorwaarden van een verzekeringspolis zit te lezen.

De andere jongens lachen, waarop het hele toneelstuk nog een keer wordt ­opgevoerd. Deze keer lach ik mee. Vlak voorbij de ingang van de Markthallen ligt langs de Jan van Galenstraat een naamloos stukje water. Er liggen een paar mooie woonschepen en er staat een groot billboard waarop wordt beloofd dat ze binnenkort alles gaan verpesten met nieuwbouw.

Een elegant ijzeren bruggetje voor fietsers en wandelaars verbindt de twee oevers. Toen dat bruggetje er nog niet was, was er heel lang niks en daarvoor een pontje. Zo sprak ik ­onlangs iemand wiens vader een handel in hondentrimartikelen dreef.

Ook zijn er fabriekjes in ­leverpastei, maar het Groot ­Amsterdams Pontjes Boek bestaat niet, geloof ik. Het pontje aan de Jan van Galen kan ik me nauwelijks herinneren. Dat zal komen doordat de oversteek nog geen minuut geduurd kan hebben. Het pontje waarmee je de Amstel overstak naar de ­Omval met zijn watertoren en zijn gashouder was van een andere ­categorie. In de bocht van de rivier waande je je op volle zee, wat ik leuk vond, met name omdat ik wist dat de oever nooit ver weg was.

Er was een pontje over de Schinkel, en verderop een pontje over de Nieuwe Meer en nog verderop een pontje over de Ringvaart. Over het Merwedekanaal bij Diemen ging het pontje aller pontjes, dat luisterde naar de naam Vadertje Langbeen. Ik ben er eens wezen kijken met mijn vader. Vadertje Langbeen was een veerwagen of railpont en voer niet, maar reed, over rails op de bodem van het ­kanaal.

De pont gleed over het ­water of hij met het water niet van doen had. En dan had je nog de pont transbordeur, een pontje dat over het water zweeft.

De hoogste tijd voor een boek over pontjes. Zonder dat ik het in de ­gaten had, is er aan de schaduwzijde van het Rokin een lange eet- en drinkboulevard ontstaan met enorme eenheidsparasollen die zich slechts van elkaar onderscheiden door de naam van de zaak die ze drooghouden, Metropolitain, Tinner, café de Paris, het Groene Paleis. Was dat niet een bordeel?

Ja, maar dat is lang geleden. Wat me iedere keer verbaast, is dat het overal druk is. Aan de tafels onder de parasollen op het Rokin, bij de strandstoelen, bij Madama Tussaud, op de Dam. Ik stak de Dam over en bereikte, behendig tussen de toeristen door manoeuvrerend, de Zoutsteeg.

Maar gelukkig, daar zag ik de haringvlag al wapperen. Hij kwam eens een middagje invallen voor een zieke maat en is toen gebleven, zoals die dingen gaan. Bij mijn ­geboorte had ik al geen haast. We waren het weer helemaal eens met elkaar. We herinneren ons meer dan we ons denken te herinneren. Toen ik de herinneringen aan mijn eerste zes ­levensjaren in kaart bracht, bleek dat keer op keer.

Het is een kwestie van geduld, ontdekte ik, maar heb je eenmaal een spoor dan zal de herinnering vroeg of laat boven komen drijven. Deze keer ging het om autootjes. Ze moesten opgewonden met een sleuteltje, herinnerde ik me, maar er was meer. Reden ze op rails? Ik probeerde me de verpakking voor de geest te halen, het specifieke geluid dat ze maakten, maar het lukte niet. Petertje, het goedaardige zoontje van mijn verschrikkelijke tante Mies, had een speelkamer vol spullen.

Hij had een tafelvoetbal en pingpongbatjes, bouwdozen die ik me herinner als een voorloper van playmobiel en een heuse Schucobaan. Op mijn favoriete plaatje zat Kuifje in een riksja die getrokken werd door een Chinees.

Als ik in de Runstraat in een file ­terecht kom, sta ik plotseling ­ tegenover een fietstaxi waarin drie Chinezen zitten. Ik schiet in de lach, niet om de Chinezen, maar om het Kuifje dat de riksja trekt. Waar ik heen ging, zeg ik niet, maar op de heenweg fietste ik langs de nieuwe gemeenteklok op de hoek van ­Stadionweg en Beethovenstraat. Ik dacht dat de gemeenteklok aan het verdwijnen was, maar hij is aan een glorieuze comeback­ ­begonnen. Schippers eens op het Rembrandtplein liet plaatsen en die allemaal een foute tijd aanwezen.

Waar zijn ze gebleven trouwens, die klokken, en waar is de reusachtige blauwe stoel die hij in het Vondelpark neerzette? De nieuwe gemeenteklok is elegant, slank, met een diep rood randje rondom en drie al even ­rode andreaskruisjes op de wijzerplaat.

Ik kan niet wachten tot hij ook op andere plaatsen in de stad zijn gezicht laat zien. Meestal zit het tegen, maar soms zit het mee. Tot zover de heenweg en nu ­terug. Ik rijd regelmatig langs de route en wat me opviel, is dat de bezoekers die met een routebeschrijving in de hand langs de beelden lopen het monument voor de gefusilleerde verzetsstrijders van Jan Havermans zonder uitzondering negeren.

Ze lopen er langs of het er niet staat. Dat maakt nieuwsgierig naar de routebeschrijving, en ­inderdaad, het beeld van Havermans staat niet op de kaart en is er dus ook niet. Maar bij het Conservatorium Hotel, op de hoek van de Van Baerle en de Paulus Potterstraat, staat, ook in het kader van ArtZuid, een beeld van Cristóbal ­Gabarrón de stad flink op te ­fleuren. De man stond op de hoek van de Frans Hals en de Quellijnstraat. Hij droeg een zwart pak en gele schoenen, er stak een witte bloem uit een knoopsgat en zijn overhemd was roze.

Hij leek een beetje op Sammy ­Davis Jr. Hij verplaatste zijn voeten en draaide met zijn heupen, een tegel was hem genoeg. De avond tevoren had ik een lang vergeten boek over Eduard Jacobs in de boekenkast gevonden. Met stijgende verbazing had ik zijn liedjes gelezen over de Ruysdaelkade, de Ceintuurbaan, buurt YY: Er was me nooit iets bijzonders opgevallen aan het adres en dus ging ik eens kijken.

De nummers 60 tot en met 66 bleken in beslag genomen door een keurig schooltje. Ik was de Rosmarijnsteeg ingelopen om eens te kijken hoe de ­zaken staan. Antiquariaat Straat heet nu Wind en ze verkopen horloges en jurken. Het was droog en ik maakte van de gelegenheid gebruik om neer te strijken op het terras van Broodje Bert. Ik bestelde een broodje oude kaas en een koffie verkeerd die eenmaal op mijn tafeltje in een latte en een sandwich old cheese veranderd bleken. Een en ander smaakte er niet minder om.

Op de fiets naar huis begon het weer te motten. In der Vijzelstraat reed ik achter een moslima die een mij onbekend type hoofddoek droeg. De Turkse doek herken ik, net als de Marokkaanse, de Indonesische en de Afrikaanse, maar deze had ik nog niet.

Bij de Weteringschans hield het op met regenen. Het meisje zette haar ­capuchon af, en veranderde zo van een moslima in een ongelovige. In het oorlogsdagboek van Hanny Michaelis kwam de Kattenbak Centrale langs. Meteen klapte er een kattenluikje open waardoor het bijbehorende lied naar binnen glipte.

Een paar dagen later zaten we in het Westerpark op een picknicklaken tussen de hapjes en de drankjes en maakte ik me op om het lied voor de aanwezigen ten gehore te brengen. Ik hief de stemvork en daar ging ie: Toen ik uitgezongen was, nam een vriendin het over en zij zong: Maar de moderne techniek bracht uitkomst en even later zong Gonda, met haar zusje op de speaker: Zoutvaatje in het midden en aan weerskanten een ei, hardgekookt, hoewel je dat op de foto niet zien kunt natuurlijk.

Eddy Posthuma de Boer vertelde me eens over een Nederlander in zijn kennissenkring die al jaren in Frankrijk kampeert zonder ooit een woord Frans te hebben ­geleerd. Als hij eieren nodig heeft, gaat hij naar de boer en zegt: Maar het perfecte eierrekje bleek wel degelijk te bestaan. Het stond op de bar van café Bos aan de Amstelveense weg. Na enkele inleidende manoeuvres zei de barjuffrouw: Een paar weken later zaten we bij Sarphaat en dronk ik met uitzicht op het park een borrel uit het volmaakte borrelglaasje.

De volgende dag troffen ze elkaar dan zeg om half elf bij de Vami in de Kalverstraat, waar de dienstertjes een schortje droegen en een kapje in hun haar. Vandaag de dag is een afspraak maken een stuk ingewikkelder, maar soms lukt het en zo kon het gebeuren dat mijn vriend en ik ­elkaar op een zonnige zaterdagmiddag troffen op het eindpunt van lijn 3 in Oost.

Nou ja, dat kwam volgende keer dan wel. Ik heb deze wandeling vaak ­gemaakt, maar altijd voel ik me een ontdekkingsreiziger die onbekend gebied betreedt. Alles lijkt nieuw iedere keer. Het smalle voetpad met uitzicht op IJ en Buiten-IJ, de skyline van de stad en de heerlijke sluizen, waar je zomaar over de sluisdeuren heen mag ­lopen en als er geschut wordt het water stromen ziet.

Als jongen van tien kwam ik hier voor het eerst. Er lijkt weinig veranderd. Maar het Hoyerpad was er toen nog niet en Hoyer leefde nog, in Nescio, die toen, meen ik, op de Linnaeushof woonde en er vaak op uit trok. Op 30 december noteerde hij: Op een dag vond ik in een bak van een antiquariaat dat ik met enige ­regelmaat bezoek een groot aantal dichtbundels, allemaal, zo ontdekte ik al snel, ­afkomstig uit de nalatenschap van de eens alom gevreesde poëziecriticus Rein Bloem, die zelf ook versjes schreef, maar dat, die dingen gebeuren, stelde niet veel voor.

Zo wist Rudy Kousbroek precies hoe je een roman moest schrijven. Hij heeft het Gerard Reve nog eens haarfijn uitgelegd, maar zelf kon hij het niet. Hij heeft zelfs nooit een boek geschreven, een boek ­bedoel ik, dat niet bestond uit eerder in de krant verschenen stukjes.

Hugo Brandt Corstius was wat dat betreft van hetzelfde laken een pak, maar dit alles geheel terzijde. In de bak met nalatenschap van Rein Bloem trof ik onder meer Klein Voorspel, de debuutbundel van Hanny Michaelis, en Slechts de namen der grote drinkers leven voort van Riekus Waskowsky. Van beide dichters heb ik het verzameld werk al jaren in de kast, die bundels hoefde ik dus niet te ­kopen, maar ik deed het lekker toch. Toen ik weer thuis de bundels ­inkeek, gebeurde er iets merkwaardigs.

Het was of de gedichten die ik las andere gedichten waren dan dezelfde gedichten in het verzameld werk. De verzen leken bevrijd, ze hadden zichzelf afgestoft en toonden zich vers als een fonkelende atalanta net uit zijn pop.

Sindsdien weet ik wat ik zoek in de boekenbakken van de stad, de bundels van Nijhoff, van Lucebert, van Van Ostaijen en in die bundels zoek ik de verzen die zich tot dan toe schuil hielden: De kortste weg naar Theater Bellevue voert door de P. Hooft, waar we achter een groep toeristen terecht kwamen die zwalkend achter hun aanvoerder aan fietsten.

Bij Bellevue zag het zwart van de familie van de kinderen van groep 8 van Montessorischool De Jordaan die voor ons hun afscheidsmusical gingen ­opvoeren.

Waar het hart van vol is… Laat me volstaan te zeggen dat het prachtig was. Er werd vol overgave gedanst, gezongen, geplaybackt en de grappen waren niet van de lucht, waarbij ik het hardst moest lachen om het jongetje dat in zijn rol van wiskundeleraar kwam zeggen dat Pythagoras was overleden. Dat Anne Frank werd herdacht met een prachtig gezongen lied konden we ook zeer waarderen. Onze eigen kleindochter was een succès fou zoals u zult begrijpen, zoals u het ook niet zal verbazen dat de ontroerde grootouders het nauwelijks droog hielden.

Ik zit nog in groep 7. De grootmoeder van de andere kant bewaarde geen enkele herinnering aan een voorstelling en op de school van mijn vrouw deden ze niet aan dat soort frivoliteiten, een hand van de meester, dat was het. Zelf had ik in ons­ ­toneelstukje de rol van Pukkel gespeeld. Na het afrekenen ging ik plassen. Het viel niet mee om het te vinden, maar voor het eerst heb ik transgender gepist. Als je van de Olympiaweg het Olympiaplein op gaat in de richting van de Apollolaan kom je langs een rijtje huizen met een tuin ervoor en in iedere tuin een boompje.

Tot voor kort dacht ik dat het knotwilgen waren, maar dat is niet zo. Wat het wel zijn, weet ik niet. Altijd als ik langs die huizen kom, denk ik aan Elke van Splunter, een meisje dat hier woonde in de jaren zestig van de vorige eeuw.

En altijd als ik aan Elke van Splunter denk, vraag ik me af waar ze gebleven is en neem ik me voor dat uit te zoeken. Een eindje verderop, bij het Van Heutsz-monument denk ik aan Paula Box, met wie ik in het najaar van , na een klasseavond bij Bart Wuite in de Harmoniehof, op de trappen van het Van Heutsz-monument heb staan, heb zitten zoenen. De stad is vol dwanggedachten. Nader ik station Sloterdijk, dan verdringen ze elkaar en buitelen over elkaar heen in hun poging mijn aandacht te trekken.

Soms waren we wel met zijn dertigen, en hoe het kan, weet ik niet, maar we kwamen altijd weg. Een paar jaar eerder, toen we nog op de lagere school zaten, gingen we naar de Coca Cola-fabriek om naar de lopende band te kijken,waarop de flesjes gevuld en gedopt werden. Het verhaal ging dat er wel eens een man naar buiten kwam van wie je dan een flesje Cola kreeg. Maar meegemaakt heb ik dat niet. Zoals bekend is de smartphone voor de al wat ­oudere medemens een van de grote mysteriën van het leven.

Wat vroeger God was, is nu de telefoon. Mensen zijn er de Godganse dag mee in de weer, maar met wat ze precies uitvoeren, daar kom je niet achter. Ik probeer weleens informatie in te winnen, maar je wordt afgescheept met vage verhalen, over geheimzinnige instituten die bezocht dienen te worden, berichten die op ondoorgrondelijke wijze verzonden worden en die dan tot tegenberichten leiden, een en ­ander vaak in groepsverband.

Maar hoe zit het omgekeerd, vroeg ik me laatst af. Vraagt de smartphonegebruiker die tegenover mij zit te duimen zich af wat ik met mijn lege handen te niksen zit? Het moet heel raar voor hem zijn iemand te zien die naar de ­wereld kijkt zonder die wereld meteen vast te willen leggen op een schermpje. Intussen zit hij op zijn telefoon en vraag ik mij af welk snedig antwoord Nelly Frijda gaf toen Alies uit Ermelo die mijn haar knipt en met wie ik altijd zo gezellig praat, haar vroeg of ze Nelly Frijda was.

Alies heeft het me verteld, maar ik weet het niet meer, ik ben het vergeten. Maar dankzij Jack Spijkerman weet ik wel wat Gerard Cox zei toen de benzinepomphouder bij wie hij net getankt had, tegen hem zei: U komt me bekend voor.

Waarop de man antwoordde: Op de Jozef Israëlskade deed het zonlicht pijn aan je ogen, maar vanuit de schaduw op de Amstelkade zag het er zomers uit. Ik was lekker langzaam aan het fietsen, tevreden met alles en ­iedereen. Met de mannen die aan hun bootjes klusten, met de twee vrouwen die voor een open deur met elkaar stonden te praten, de ene met in haar armen een enorme hortensia die rood in bloei stond, met het vooruitzicht van het uitzicht over de plas water dat zich zo dadelijk aan mij ging openbaren.

Aan de tafel aan het water zaten twee mannen koffie te drinken. We groetten elkaar als waren we dorpelingen. Om de hoek, waar het Muzenplein overgaat in de Churchillaanlaan, staat een zes meter hoog marmeren beeld, Verschuivingen van Ben Guntenaar.

Op dat beeld staat, zoals wij van Het Parool allemaal weten, sinds een paar maanden King Kong met een speelvliegtuig te zwaaien. Tot voor kort kreeg ik hier altijd heimwee naar de zonnewijzer, maar van King Kong is Verschuivingen enorm opgeknapt, stelde ik vast. Kong staat precies goed, alsof hij er altijd al geweest is. En op dat moment zag ik een theelepeltje liggen.

Een theelepeltje, dacht ik. Mijn eerste impuls was afstappen om het theelepeltje op te rapen en in mijn zak te steken, want een theelepeltje, zeg nou zelf, komt altijd van pas en van theelepeltjes kan je er nooit genoeg hebben.

Maar gelukkig wist ik me te ­beheersen, want ik weet hoe het gaat, het begint met een theelepeltje, maar binnen de kortste keren sleep je aan een touwtje een magneet achter je aan en heb je een karretje achter je fiets hangen om de gevonden voorwerpen op te slaan. In oktober gingen wij voor een korte vakantie naar Malmédy. Aan de vooravond van ons vertrek begaf ik mij naar het Rokin om bij Allert de Lange een boek te kopen.

In Malmédy sloeg ik het boek open en ik las: En ik maakte mijn begin met Pride and Prejudice, waarin Elizabeth Bennet de hoofden voor altijd op hol brengt. Wat een heldin, wat een boek, wat een schrijver. Op 16 december werd gevierd dat het tweehonderd jaar geleden was dat Jane Austen was geboren. Ik dacht aan de schrijfster als baby en vanaf dat moment heb ik haar altijd in de buurt ­gehouden, als kind, als meisje, als jonge vrouw, als schrijver.

Eenenveertig jaar lang, van haar geboorte tot haar sterven op 18 juli , vandaag tweehonderd jaar geleden. Wie nu naar de Portrait Gallery in Londen gaat om het door haar zuster Cassandra getekende portret te bekijken, betreedt een donkere kamer, waar hij heel even een lichtje mag laten schijnen.

Ik kende al iemand die een Nana van Niki de Saint Phalle stuk had laten vallen en nu blijk ik ook nog iemand te kennen die een Keith Haring heeft kwijtgemaakt. In de tram laten staan. Zelf heb ik eens een vijftienliter bonbonnetje wijn uit de Roussillon in de 13 laten staan. We hadden het meegebracht voor Dikke Willem, een schimmige belastingadviseur die zijn diensten graag in producten kreeg uitbetaald.

Dat zou niet lukken deze keer, want dat bonbonnetje was weg en kwam niet terug natuurlijk. Na dat ene glaasje volgden er meer en het einde van het liedje was dat toen Dikke Willem aankondigde dat hij zijn bonbonnetje kwam halen, het bonbonnetje in kwestie leeg was. Goede raad was duur en dus begaven we ons naar de Hema waar we twintig flessen goedkope wijn kochten die we vervolgens, o schande, in het bonbonnetje overgoten.

Maar die Keith Haring was weg en bleef weg. Dit in tegenstelling tot die andere Keith Haring die weg is, want die is wel weg, maar hij is er wel. Het is een giraffe en Haring schilderde hem op een doosvormig gebouw dat op het terrein van de Markthallen staat. Ik ging vaak naar de Willem de Zwijgerlaan om ernaar te kijken, en ineens was hij weg. Verdwenen onder een betimmering. Als het stil is op de Willem de Zwijgerlaan kun je de giraffe horen zuchten. De ­Engelsen zouden het Centraal Station in elkaar gooien.

De spoorwegarbeiders zouden staken. De invasie zou net op het laatste moment plaats hebben. Zij had niet plaats. De communisten zouden iedereen ontvoeren, die toch opkwam. We zijn wel geregistreerd en zijn toen doorgegaan met bestemming Auschwitz. Ons transport was zeer groot. Na de oorlog werden acht overlevenden geregistreerd. Je zou denken dat de hele stad in rep en roer was door de gebeurtenissen, maar niets is minder waar.

Het leven ging zijn gang alsof er niets aan de hand was. Ik begreep niet wat ze bedoelden, en toen bleek, dat er een begin was gemaakt met het deporteren van Hollandse en Duitse Joden tussen 16 en 40 jaar. Wie iets wil begrijpen van de gang van zaken rond oproep, deportatie, onderduik en de emoties die dit met zich meebracht, leze haar dagboek.

Ik ken iemand die al meer dan dertig jaar ieder oneven jaar een paar weken naar ­Venetië gaat. De laatste keer dat zijn vliegtuig vlak voor de landing over de stad vloog, keek de man de naast hem zat enige tijd naar beneden en formuleerde het toen zo: Ik herinner me dat ik op de voorplecht stond en de hoofdstad van het eiland snel dichterbij zag komen.

Het leek of het stadje steeds kleiner werd. Een wandeling hier, een baaitje daar, een opgraving, aardbeien en kersen van de kar, het ­archeologisch museum, een pleintje met een restaurant waar ze de heerlijkste aubergie kroketjes verkochten, het kon niet op. Waar we allemaal niet geweest ­waren toen we weggingen. Hoe beter je een stad kent, hoe groter hij wordt en hoe meer er te doen en te zien is.

Voor ons ­Amsterdammers is Amsterdam de grootste stad van de wereld, de stad waar we nooit uitgekeken zullen raken. De Nieuwegang wel eens in gelopen? Biertje gedronken in de Wacht-­kamer 3e klasse in het Centraal Station? Wel was ik nog niet zo lang geleden voor het eerst van mijn leven in de Sint Nicolaaskerk. Vlak naast de basiliek bleek zich café Batavia te bevinden. Welke kant ik op moest was duidelijk en dus reed ik de Keizersgracht op en de Nieuwe Spiegelstraat uit tot de Spiegelgracht.

Daar begon ik er zin aan te krijgen, want de Spiegelgracht heeft een heerlijke stille kant met een leuke speelgoedwinkel die bovendien uitkomt op een van mijn favoriete grachtjes, de Zieseniskade. Er is een liedje over bomen die dromen hoog boven verkeer en bootjes die over het water gaan, net als weleer, volgens mij is dat hier.

Overal om je heen heerst ­hedendaagse chaos, maar op de Zieseniskade is geen mens te bekennen. Het is of we niet weten dat de kade bestaat. Vlak voor de City blijk ik ineens op een voetgangerspad te rijden, maar bij de kruising met de Leidsestraat ben ik weer waar ik hoor te zijn. Koekjesbrug over, stukje Nassaukade en dan de Jacob van Lennepkade op.

Drummend kunstenaar Han Bennink het is omgekeerd, maar dat gaat niet vertelde me eens dat zijn broer en hij de ­zomers van hun jeugd altijd doorbrachten in de badplaats waar wij zo graag komen, omdat alles er is als vanouds alsmede mooi van ­lelijkheid. Toen hun moeder was overleden besloten de broers haar as vanaf een van de strekdammen in zee te verstrooien.

Nou, je weet hoe ik met mijn schoenen ben. Ik poets ze vaker dan mijn tanden. Waarop de uitbaatster van het paviljoen aan ons tafeltje verscheen om te vertellen hoe blij ze was dat we er weer waren.

Ze bleef nog even dralen. Om haar verhaal te vertellen, bleek. Over een middelbaar echtpaar dat haar had verteld dat ze waren gekomen om de as van zijn moeder in zee te verstrooien. Ik keek wat er in zat en ja hoor, moeder. Maar het verhaal is nog niet af, want twintig minuten later kwam iemand een kruisje brengen dat hij op het strand gevonden had. Een kruisje met twee jaartallen er op, verder niks.

Ik heb het in de keuken gehangen. Helemaal aan het begin van de Schilderskade, daar waar de Amstel de stad in stroomt, staan op de brug twee huisjes. Ze zien eruit als de Turkse badhuisjes die je bij Turkse dorpen wel aantreft. Op het huisje aan de kant van de Jozef Israëlskade stond dat er hoogspanning in zat, op het andere huisje stond niets.

Ik had mijn weg al vervolgd toen ik nieuwsgierig werd. Ik trof een man die voor zijn huis op een bankje naar het water zat te kijken. Of hij wist wat voor het huisjes het waren, wilde ik weten. Dat wist hij niet, maar hij wist wel dat in het huisje aan de Amstel-­kadekant een theatertje zat waar een buurtbewoner af en toe voorstellingen voor kinderen organiseerde en met Kerstmis een kerstverhaal voorlas.

Op dat moment zag ik dat er in de deuropening van het huis twee kleine kinderen achter een tafeltje zaten met wat spulletjes erop. Bleek dat Aike 6 en Anne 4 die middag een tattooshop hadden geopend, waar je tegen betaling een stempel op je arm kon laten zetten. En kleren pakt hij wel aan, maar ze aantrekken doet hij niet. In het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom, was ik al een tijd niet geweest.

Dat kwam doordat Rina zich niet meer achter de bar liet zien. Waarmee meteen de vraag rijst of je een café bezoekt voor het café of voor de barjuffrouw.

Staat er een man achter de bar, dan is de zaak wat mij betreft duidelijk. In café de Ster kwam ik voor het café, net als in de Schouw en de Broadway Bar. Maar als het om de Cotton Club gaat, wordt het al ingewikkelder.

Geweldig café, de Cotton Club, maar juffrouw Annie was ook niet mis. En ik denk niet dat ik zeven jaar in Emmelot was blijven hangen als Jossie en Marie er niet de scepter hadden gezwaaid.

Rina bleek weg geweest om van een kleinkind te bevallen. Maar nu was ze er weer en om het te vieren bood ik haar een colaatje pils aan. Twee pilsjes later raakte ik aan de praat met een Amsterdammer die vertelde dat hij vorig jaar in Kusadasi was geweest. Het was er 45 graden in de schaduw, zodat we meteen de eerste dag al van top tot teen verbrand waren, als kreeften ­waren we, en het enige wat we toen nog konden doen, was op die kamer blijven, waar het ijskoud was, van de airco, zodat je de hele dag onder een dun dekentje op bed lag, terwijl er een enorme zandstorm stond, van dat dunne gemene zand dat in je eten gaat zitten, dat trouwens niet te eten was, ­Kusadasi, praat me er niet van.

Nee, dit jaar ga ik lekker vissen. Op de hoek van de ­Amstelveenseweg en de Laan der Hesperiden die vroeger Stadionplein heette als ik me niet vergis, zat een groot café waar het op de zondag heel druk was. Het zal café Het Stadion of iets dergelijks hebben geheten. Nu zit er Mr. Sam met een leeuw voor de deur. Het was een zomerse dag en een eindje verderop zat in de vensterbank die ze tot bank had omgetoverd een jonge vrouw half liggend een bord soep te lepelen. Ik keek naar het Olympisch Stadion en bedacht dat er inmiddels alweer een hele generatie is opgegroeid die denkt dat het stadion er altijd zo heeft uitgezien.

Een deel van de generatie stond op een veldje naast het stadion ­fanatiek een onduidelijke sport te beoefenen. Op de Jan Wilsbrug keken twee vrouwen vertederd naar een meerkoetennest vol jonge meerkoeten en vanaf de eilanden in de Schinkel woeien de zwemgeluiden me reeds tegemoet.

Tot voor kort loste je op als in zoutzuur als je in de Schinkel viel, maar nu is het weer zwemwater en op mooie dagen worden de eilandjes uitbundig bezet door kinderen tot een jaar of zestien die lachen, flirten, duwen, duiken, zonnen, zwemmen.

Vorig jaar zag ik zes meisjes uit groep zeven hand in hand van de steiger springen. Nu zijn ze, nog even, van groep acht. Ik liep over de kermis die net bezig was open te gaan.

Langzaam schoven de rolluiken van de ­attracties omhoog en tevoorschijn kwam de kraam die er precies zo uitzag als toen hij gisteren dichtging. De slager of de visboer moet zijn uitstalling elke morgen in de vitrines leggen, maar de kermisklant laat de pluchen beren en tijgers en grote roze honden ­gewoon hangen of op de toonbank staan en gaat de volgende middag verder waar hij gisteravond was gebleven.

Hoewel er nog geen muziek was, zaten de twee verveelde meisjes van de popcorn al op hun eerste klant te wachten. De griezelige slingermachine die naar de naam Booster luistert, draaide driftig oefenrondjes. Alles ziet er anders uit op de kermis van tegenwoordig, maar veel is toch hetzelfde gebleven.

Een schiettent zag ik niet, maar er werden zuurstokken verkocht en nougat verkocht en er was een Oud Hollandse Oliebollenkraam. In het beginnersachtbaantje klonk het eerste gegil, en daar had je de muziek, kermismuziek! De zweef is verdwenen, maar in de moderne variant zat een moeder met haar zoontje in een lichtblauwe olifant net zo opgetogen te kijken als wij dat deden met onze dochter in de draaimolen.

Toen ze zes was zou ze met alle geweld naar het Spookhuis. Wij in de rij, kaartje gekocht, in het wagentje gestapt en het Spookhuis binnen gereden, waar ze van het eerste de beste skelet zo verschrikkelijk schrok, dat ze nog maar een ding wou, weg van hier, naar huis. Ze is als de Venus van Botticelli met dat verschil dat ze niet bloot op een schelp staat, maar op een bankje zit en schuine ogen heeft.

Ik probeer een boek te ­lezen, een boek over het jongensgevoel en het eten van sinaasappels. Ik vind het boek veel beter dan ik het tweeënvijftig jaar geleden vond, maar toch kan ik mijn gedachten er niet bij houden.

Ze gaat gekleed in een soort vest dat bij elkaar wordt gehouden door een ceintuur en is een en al been. Als ze op haar telefoon kijkt, laat ze een besmuikte glimlach zien die soms overgaat in een brede glimlach, in een binnenpretje of een ingehouden lach. Regelmatig doet ze haar haar achter oor of schikt ze haar pony. In haar linkeroorlel zit een zilveren oorbel waar ze af en toe aan draait, terwijl ze met haar tong iets tussen twee tanden vandaan probeert te krijgen.

Ze is 23, besluit ik, en natuurlijk heeft ze allang gezien dat ik doe alsof ik lees, maar dat ik in werkelijkheid naar haar zit te kijken. Ze slaat haar benen over elkaar en bekijkt haar ogen in de spiegel van haar telefoon. Met de buitenkant van haar gebogen wijsvinger veegt ze langs haar neusvleugels en dan haalt ze een wenkbrauwpotlood tevoorschijn. Als ze haar lippen in de lippengloss gezet heeft, bergt ze alle spullen op en schudt haar pony.

Wat ik al vreesde, blijkt waar. Als een gemeenteklok eenmaal stilstaat, is het einde nabij. De klok op de hoek van de Beethovenstraat en de Stadionweg die zo lang op tien over acht heeft gestaan, is verdwenen. De paal waar hij op stond, staat er nog, een beetje verdwaasd, als een grutto in het vroeg gemaaide gras.

Op de hoek waar de paal staat, kon je op zoele zomeravonden van lang geleden vaak een kleine maar opgewonden samenscholing treffen. Het middelpunt van de ­samenscholing was een schone op een scooter, die zich alle belangstelling graag liet aanleunen, de schone meen ik. Haar leuke zusje heette Vivian. Vivian kende ik van de tennisbaan. Vivian kon niet tennissen, maar onder haar tennisrokje droeg ze petticoats in zeven kleuren.

Om de een of andere reden maakt dat vergevingsgezind. Vivian en haar zusje woonden in een enorm appartement, dat uitkeek op de gemeenteklok. Ik heb daar voor eerst een voetbalwedstrijd op tv gezien. Nederland-Duitsland, of omgekeerd, dat weet ik niet meer.

Op een keer stond ik voor de reusachtige boekenkast met een scheef hoofd de titels te lezen toen haar vader in het voorbijgaan liet weten dat ik uit de kast mocht­ ­lenen wat ik wou, als ik de boeken maar weer terugbracht.

De vader was impresario en ­beroemd ­geworden door bij het Centraal Station op een treinstel een opgezette walvis tentoon te stellen. Je kon erin, in de walvis. Door zijn wijd opengesperde ­kaken betrad je zijn binnenste, waar het stonk en niets te zien was. Maar je was wel in een walvis ­geweest, en wie kon je dat nazeggen, behalve ­Jonas dan. Ik denk dat er geen straat in Amsterdam is die zo vaak van naam verandert als de Ceintuurbaan: We zaten bij Par Hasard onder de bomen en keken de Ceintuurbaan af, die hier inderdaad Ceintuurbaan heet.

Er fietste een man voorbij met een bas op zijn rug en in de bocht naar de Ferdinand Bolstraat passeerde de 24 de Terwijl een meisje onze friet kwam brengen, met een biertje en een glaasje wijn erbij, kwamen er uit het studentenhuis dat boven het café ­gevestigd is een heleboel jeugdige personen tevoorschijn die zichzelf een leuke avond beloofd hadden.

Ze hadden er zin in, dat zag je aan alles. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 een 24, een man op een fiets reed banjospelend voorbij, terwijl de zwangere vrouw tussen tafel en bank vandaan probeerde te komen. Hij rekende af en hand in hand liepen ze richting Sarphatipark.

Toen het visje soldaat gemaakt was, gingen wij ook. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 de Langs het Jollenpad reed ik naar de plek waar ik een rij huisjes wist te staan, direct aan het water, met voor de deur een tuin en een lange steiger. Wij gingen daar regelmatig op bezoek. Tante Ans zat aan een laag tafeltje en sprak als Sint Franciscus met de mussen die in kleine groepjes samendromden aan haar voeten. Af en toe waagde een mus zich op het tafeltje en de brutaalste onder hen zaten haar in het haar of pikten een broodkruimel tussen haar lippen vandaan.

Tante Ans had twee dochters van wie ik de namen was vergeten. Bij de huisjes aan het pad die onveranderd leken, stond een al wat oudere vrouw. Ik legde uit waarom ik niet verdwaald was, waarop zij vroeg of ik de naam wist van de mensen waar ik als kind op bezoek kwam. Tijdens mijn biertje en een onvergetelijke portie ossenworst raakte ik aan de praat met een vrouw die vertelde dat ze eerst rechten had gestudeerd en toen onderwijzeres was geworden.

Tegen de kinderen zei ze altijd: Ik heb een vriend met een ­auto. Als hij in zijn auto rijdt en mij ziet fietsen, komt hij me achterop, draait zijn raampje open en roept iets als: Een keer, we reden in de Hondecoeterstraat ter hoogte van de ­inmiddels gesloten Melkhandel waar ze zulke lekkere broodjes verkochten, dreigde het lelijk uit de hand te lopen.

Mensen in de winkel kozen partij voor mij en voor de fiets tegen de auto en zijn bestuurder, waarna enkele stratenmakers zich solidair verklaarden.

In de tram gaat het ook. Ik wist dat zij jou zwaaien ging. Op brug over het Amstelkanaal staat op iedere hoek een huisje met een pannendak. Als je de Schilderskade af komt in de richting van de Amstel, zie je dat het in eerste huisje True Beauty is gevestigd, een skin care center. In het huisje aan de overkant zit een meneer aan een grote tafel met een laptopje erop in zijn eentje Mise en place te wezen.

Toen ik als jongen op de banen bij de Apollohal tenniste, zat hier een sportwinkeltje. De man van het winkeltje bespande tennisrackets, met nylon en met kattendarm, en dat deed hij zo goed, dat je als je met een door hem bespannen racket speelde niet verliezen kon.

Verder dan het vervangen van een of twee gesprongen snaren kwam ik niet. Maar dat ze door hem waren vervangen, hielp al. Het mooie van Pizzeria San Marco en is dat je je pizza ook met de boot kunt afhalen. Of dat ook gebeurt, vroeg ik aan de Italiaan die in het keukentje voorbereidingen trof voor het dagelijkse pizza bakken, maar omdat hij de vraag niet begreep, kon hij geen antwoord geven.

Het glas nooit vol, maar ook niet leeg, en zonder al te veel te zeggen. Streepjes op een bierviltje hielden de score bij. Af en toe bracht de barkeeper de telefoon en zei: Het glas werd vaker bijgevuld dan het kannetje, zodat cola met jenever van cola met ­jenever langzaam veranderde in jenever met cola en van jenever met cola in jenever. We rookten filtersigaretten en mijn vriend had zijn zonnebril opgehouden.

Van tijd tot tijd namen we een biertje om het weg te spoelen. Dat ­betekende dat hij iets gewonnen had met het paard waarop hij had ingezet in café Cramm op de Nieuwendijk. Maar straks was nog ver en naar Cramm kon altijd nog. Voorlopig zorgde de zon die voor de deur lag en aan de ruit hing nog voor zoveel licht dat van verkassen geen sprake kon zijn. De gelukbrengende ­halve centen, zoals ­verkocht door de postzegelwinkel bij mij om de hoek, kosten twee euro vijftig per stuk, maar voor een tientje koop je er geen vier, zoals ik schreef, maar vijf.

Plus dat geluk dus. Aan de wand, tussen de duizenden postzegelalbums, hing een foto van Parnassus in een vorig bestaan. Het oude postkantoor in de Gerard Terborgstraat, dacht ik, bijna goed, maar toch fout, want het was het voormalige hoofdpostkantoor aan de Nieuwezijds. Ik kwam er graag. Ik was dol op de rijen voor al die loketten, ­loketten voor brieven, loketten voor pakjes, voor postzegels en ­filatelie, voor aangetekende stukken, de postgiro en poste restante, en het leukst van allemaal, voor telegrammen.

Ik stuurde vaak voor de lol een telegram om het in gedachten te volgen op zijn avontuurlijke reis. Er stonden ook tafels waaraan je plaats kon nemen om een brief te schrijven of zomaar wat te zitten. Het viel niet te ontkennen. Weer op straat raakte ik in gesprek met een jongetje met een masker dat hem als hij het opzette in Zorro veranderde. Toen ik het poortje naar de binnentuin binnenging, rende hij naar zijn moeder en riep: Ik wil niet opscheppen, maar mooi dat ik wel een van de weinige mensen ben die ­zowel Lubbert van Gortel als Drika hebben gekend.

Dat komt doordat ik een op een personeelsfeestje ben geweest waar ze allebei optraden. Het feestje vond plaats op de Bep Glasius, het vlaggenschip van Rederij Koppe die zijn schepen achter het Centraal Station had liggen en kantoor hield in het inmiddels verdwenen Storkhuisje.

Op dat feestje kwamen ze de loopplank over als Henk Jansen van Galen en Annie Palmen, maar al tijdens het schutten in de Oranjesluizen hadden ze zich verkleed als Lubbert en Drika, dit wel zeggen als namaakboer en namaak vissersvrouw in verzonnen klederdracht. Ik zei dat ik een groot fan was en altijd naar de Boertjes van Buuten keek, maar ik geloof dat ze mij niet erg geloofden.

Ik geloof dat ze zelfs dachten dat ze in de maling werden genomen, maar ik meende het. Maar als er een nieuwe eigenaar ten ­tonele verschijnt, heb je daar niets aan. Meedogenloos gaat de sloopkogel erin, weg schitterende glasgevel, weg uitbouwen en ornamenten, weg meesterwerk van Jan Kuijt de architect die ook de uitzinnige kerk van Halfweg op zijn naam heeft staan. Niemand heeft zijn stem laten horen in een poging dit kwaad te voorkomen en nu is het te laat.

Een eindje verderop op het ­Rokin is ook iets vreemds aan de hand. Kunstenaarssociëteit Arti et Amicitiae heeft zijn deuren opengegooid en laat middels grote schoolborden weten dat je er terecht kunt voor diner. Zitten ze plotseling in een club waar iedereen lid van is.

Is het dan nog wel een club, kan je je afvragen. Als ik langs Arti kom, kijk ik naar het stuk kademuur aan de andere kant van de straat, recht tegenover het kantoortje van rederij Kooij.

Uit de nevelen van het verleden doemt een meisje op, een jonge vrouw met donker haar en donkere ogen die haar voeten boven het water bungelen laat, terwijl ze een Dunhill blauw met filter rookt. Ik gids een laatste rondvaart door nacht en gracht en als we afgemeerd zijn en ik de fooi gedeeld heb met de kapitein en over het water naar de kade kijk, zwaait ze naar me met haar sigaret die ­oplicht in het duister.

Vlak voor Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat staat een bord dat een wandelpad belooft. Eenmaal op het pad zie je een ander bord dat zegt: Het pad, dat drie tegels smal is, gaat achter Te Vraag langs en langs de woonboten aan de Schinkel, waarvan de meeste zich als villa hebben vermomd, met riante terrassen voor de deur of op het dak.

De ­inhoud was helaas teleurstellend. Vlak voorbij Poldergemaal Jaagpad 25 A kwam ik een man achterop die een gereedschapskist op zijn schouder droeg. Om me te ­laten passeren, ging hij in de berm staan. Dat schip waar ik werk was bijna gezonken. Ik ben nu al drie maanden bezig. Eenmaal bij de sluis was het lawaai zo oorverdovend dat ik vreesde voor de geestelijk welvaren van de bewoners van de boten hier.

Ik zou binnen een dag rijp zijn voor opname. Vanuit de Vijzelstraat ga ik de Herengracht op om even langs het huis van de burgemeester te ­komen. Als de rondvaartboot langs het huis van de burgemeester voer, zeiden wij: Nu valt er niet veel te lachen als je het huis van de burgemeester passeert, alleen maar te hopen, en hem sterkte en het beste te wensen. De brug over de Reguliersgracht die ik in zicht krijg, is een van de steilere klimmetjes van onze stad.

Tot mijn schrik zie ik dat de brug vol staat met scholieren die poseren voor een groepsfoto. Ik weet hoeveel moeite het mij gaat kosten om boven te komen en welke commentaren dat gaat opleveren. Op de top wuif ik en ze zwaaien terug, allemaal. In de afdaling naar de Amstel passeer ik zesenwtintig in identieke T-shirts gestoken bouwvakkers die naast elkaar hun boterhammen met theeworst zitten te ­besmeren. Of was het pindakaas? Het schouwspel heeft me hongerig gemaakt. Er staan vijf bankjes, alle vijf zijn ze bezet.

Bij Quick, de lijstenmaker op de Ceintuurbaan waar ik een piepklein dingetje bracht om ingelijst te worden, vroeg ik aan Job die onlangs vader is geworden hoe het met de kleine stond, of hij de tafel van acht al kon opzeggen en naar welke middelbare school hij ging en meer van dat soort grootvader flauwiteiten.

Dat niet nee, maar de baby was inmiddels anderhalf dus kon al wel van alles. Job grinnikte, en zei toen dat hij met een Griekse ­getrouwd was. Gerustgesteld ging ik de deur uit, richting Concertgebouw en vandaar door de Van Breestraat naar de Valeriusstraat. De Valeriuskliniek is definitief verdwenen. Het enige wat nog aan het gebouwencomplex herinnert, is een kale zandvlakte met een hek er omheen. Maar in de straten van Zuid bloeien de rozen, rood en wit, geel en rose, theerozen, tuinrozen, klimrozen tot aan de daklijst of tot in de kruin van een uitgebloeide meidoorn.

Toen ik wilde betalen, bleek de boel op slot te zitten, maar een bordje zei: Dat kwam pas toen ik uit een bak een ­Amsterdamsch stratenboekje kocht.

Het is uit , toen het 20 cent kostte. In de eerste plaats zijn er de straten die er nog niet waren. Ik was er nog niet in , maar de Esmoreitstraat waar ik geboren ben ook niet. De hele Bos en Lommer moest nog gebouwd worden. De Rivierenlaan was er ook nog niet, maar de Rijnstraat weer wel, net als de Vechtstraat.

Ook interessant zijn de verdwenen straten, die zich met name in de Jodenbuurt bevonden. De bewoners werden vermoord, hun huizen gesloopt en de straten van de plattegrond verwijderd, Joden Houttuinen, Zwanenburgerstraat, Lange Houtstraat, Moddermolensteeg, Lazarussteeg, Vlooienburg, alles verdwenen. Net als de gangen. De eerste straat in het Amsterdamsch stratenboekje is de Aalsmeerdergang, bij de Lindengracht. Daarna spotte ik de Arke Noachsgang, de Baafjesgang en toen maar liefst zes Bakkersgangen.

De hele stad bleek vergeven van de gangen, Hoedenmakers, Klokken, Koehouders, Kuipers, Rozenmarijn, Rozennobel, Schelvis, Schoenmakers, Schuitenvoerders, Slachters, Sleepers, gangen, gangen, het houdt niet op. De doodlopende steeg die ik aan het begin van dit Gelukje betrad, bevindt zich in de Hazenstraat, zo tussen Kunstverein en Galerie Stigter Van Doesburg. Hij is anderhalve meter breed. De gang heeft geen naam, maar was vroeger, denk ik, een van de acht Gruttersgangen die de stad rijk was.

Voor de draaideur van de Albert Heijn stond een man met vier bananendozen aan zijn voeten. De bananendozen waren op ­elkaar gestapeld en reikten tot iets boven zijn knieën.

De man keek een tijdje naar de dozen en liet zich toen door de knieën zakken in een poging de vier dozen in een keer op te tillen. Toen dat niet lukte, splitste hij de stapel in tweeën en probeerde twee dozen onder ­iedere arm te nemen. Toen dat ook niet lukte, zette hij de vier ­dozen naast elkaar en probeerde ze zo op te tillen, wat niet lukte.

Tenslotte stapelde hij ze weer op elkaar, tilde ze op en liep weg. Mij enigszins verbijsterd achter ­latend. Na een jaar in de diepvries werd de haring toch minder, maar ik had gelijk, het was niet meer zo als vroeger, toen haring aan het eind van het seizoen bruine vlekken kreeg en wel erg tranig smaakte.

Vandaag is de nieuwe haring er weer en zijn alle haringkarren in de stad voor een dag een klein ­cafeetje. Ik heb een vriend in Smilde. Als we elkaar spreken, spreken we elkaar in Amsterdam en dan zegt hij dingen als: Dat ik herken omdat ik een vorig leven een paar maanden in Zuid-Laren heb gewoond, vlakbij de Brink, boven de elektrawinkel van De Boer.

Of woorden van gelijke strekking. Het was winter en de kraan van de wastafel op mijn kamer was permanent bevroren, een interessante ervaring. Als ik van station Assen naar Zuid-Laren fietste en dat deed ik af en toe, kwam je langs de hunebedden, grote stenen die op stapeltjes in de hei ­lagen. Onze Man uit Smilde en ik spreken af bij Luxembourg of Kapitein Zeppos, waar we bij een broodje gezond ingewikkelde dingen bespreken.

Deze keer zaten we in het café van het Stadsarchief. Aan het eind van onze bespreking gekomen, stelde ik voor de tram naar het Centraal te nemen. Maar daar voelde Onze Man uit Smilde niets voor. Hij ging lekker op zijn gemak door de Kalverstraat, een beetje snuffelen. Ik was paf, zoals Hanny Michaelis het in haar dagboek noemt. Iemand die voor zijn plezier door de Kalverstraat ging lopen.

Het kon niet waar zijn. Ik besloot toch eens in Smilde te gaan kijken. Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat is een van de wonderen van de stad. De aula stond op instorten en de graven en de paden tussen de graven waren overwoekerd door onkruid. Maar mooi was het er. Ik herinner me dat in het conciërgehuisje bij de ingang nog ­oude kranten op tafel lagen, alsof de Cerberus die de toegang bewaakte nog maar net was vertrokken, terwijl de begraafplaats al sinds is gesloten.

De laatste keer dat ik Te Vraag aandeed, was in het begin van de jaren negentig, in het vroege voorjaar. De aula werd bewoond, de ­paden waren weer toegankelijk en de grafstenen zichtbaar. Er stonden bijenkorven in de perken, overal bloeiden sneeuwklokjes en de knoppen van de kastanjestruiken liepen roodbruin en kleverig uit.

Bijna dertig jaar later steek ik het bruggetje dat naar de toegang leidt weer over. In het congiërcehuisje staat een hoog tafeltje met de daarop een vaas met bloemen. Op de trappen voor de aula staan rijen geraniums met een enkele blauwe lobelia ertussen. Bij de tuinvrouw die net op haar fiets stapt, informeer ik of ze de geraniums heeft overgehouden, maar nee, dat blijkt niet het geval.

Tegenwoordig zijn ze allemaal opgekweekt. Er bloeien margrieten, egelantieren, boterbloemen, de buxushagen zijn geschoren. Een tikje keurig allemaal, maar het blijft een wonder, Huis Te Vraag. Mijn grootvader die dat ook deed, kocht er altijd zes, spatjes, zodat hij altijd dronken thuis kwam.

Vaak bracht hij ook een hondje mee uit het café. Ik nam er altijd een. Bij de Schouw, bij Westers of de Muizenval. Ze hadden ook een drietafeltjesterras, vier tafeltjes mocht niet van een wethouder die later Tolpoort bleek te heten en die alle bruggen van de stad haringkar- en bloemenstalvrij wilde maken. Vanaf het drietafeltjesterras keek je de Bilderdijkstraat uit en zag je het water van de Jacob van Lennepkade onder de brug verdwijnen, de brug die nu één groot­ ­terras is.

Ik stond in de Gerard Terborgstraat mijn fiets van het slot te halen toen ik werd aangesproken door de mannelijke helft van een echtpaar. Met de 12 bent u er zo. Ze droegen allebei wandelschoenen zag ik. Ik had even een tekeningetje voor ze moeten maken, dacht ik nadat ze hun weg hadden vervolgd. Wegvragers zijn inderdaad zeldzaam geworden, maar ze zijn er nog, echtparen op wandelschoenen, Japanse meisjes die met de tram naar de Heineken Experience willen, Oost-Europese mannen op de Dam die de Wallen niet kunnen vinden.

Misschien moeten we ons eerder afvragen wie de weg nog weet. Ik moest eens in de George Gershwin­laan zijn, in Buitenveldert. Ik wist ongeveer waar die was, bij de De Boelenlaan, en ik wist dat ik vlakbij was, maar ik kon hem niet vinden, en wie ik het ook vroeg, geen mens wist waar hij was. Toen ik het gebouw waar ik moest zijn eindelijk gevonden had, had ik geen idee hoe ik er binnen moest komen. Een deur is open of een deur is dicht.

Het is de ­titel van een stuk van ­Alfred de Musset, en een uitspraak waarover ik nog lang niet ben uitgedacht. Altijd komt ie weer langs en altijd is ie in al zijn helderheid even mysterieus. En nu las ik dat er huizen bestaan zonder deur, zonder voordeur wel te verstaan, over de situatie binnen werd, meen ik, geen uitsluitsel gegeven. Brunette laat haar kutje volspuiten.

Jana doet het solo. Nederlandse sex film online porno film kijken Gratis Nederlandse sex films van oa. Online pornofilms mooie sexfilm Veröffentlicht am Sex flms body 2 body massage amsterdam Massage happy anding sex video s Massage sexjobs gratis sex dating sites Oma betrapt opa met het buurmeisje.

Twee studentes dubbel gepenetreerd. Vlaamse sexfilms met echte Vlaamse vrouwen zie je bij Vurig Vlaanderen. Geile vriendin heeft sex in het bos. Hij toont haar het kantoor en neukt haar Porno Bob haalt een geintje uit met een chickie en neukt haar in zijn hotelkamer. Porno is de beste en geilste porno site waar je lekkere lange gratis sex films kunt kijken.

Klik hier om een sexfilm te kijken. Ben zo'n donkere plek om arab sex porno massage met seks wisch te verliezen oudere mannen u zijn online dating geheimen die verbindingen op mij om te. Gratis porno films voor op je laptop, mobiel of desktop! Dikke donkere meid trekt een lul af met haar voetjes.


Tantra massage maastricht stel zoekt stel voor sex


opa trekt zich af erotische massage emmeloord